In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State op het gebied van het omgevingsrecht. In deze aflevering: een tijdreis door het omgevingsrecht en de alsmaar terugkerende rechtspraak over de Tracébesluiten A27/A12 Ring Utrecht.
Op 18 februari 2026 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in de beroepszaken tegen een drietal ‘Veegplannen’ van de gemeente Brielle, nu Voorne aan Zee. Opvallend aan deze zaak is dat de Afdeling twee van deze Veegplannen vernietigd, niet op inhoudelijke gronden, maar vanwege de manier waarop de raad die Veegplannen heeft gepubliceerd.
De zaak begint bij het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Buitengebied Brielle’. Dit is, in tegenstelling tot wat de naam suggereert, geen omgevingsplan onder de Omgevingswet, maar een Chw-bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Op grond van artikel 7c, negende lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 1°, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, hoeft de raad een dergelijk bestemmingsplan niet raadpleegbaar te maken op de landelijke voorziening (ruimtelijkeplannen.nl), zolang het bestemmingsplan maar via internet te raadplegen is en op ruimtelijkeplannen.nl een link staat naar het betreffende internetadres. De raad van de gemeente Brielle had daar uitvoering aan gegeven door het ‘Omgevingsplan’ raadpleegbaar te maken op een eigen site en daarnaar te linken op ruimtelijkeplannen.nl.
Vervolgens heeft de raad drie veegplannen vastgesteld. Veegplan 1 had tot doel enkele onvolkomenheden te herstellen en enkele wijzigingen door te voeren in het ‘Omgevingsplan’. Veegplan 2 was ook een dergelijk reparatieplan en Veegplan 3 beoogde een initiatief op een specifiek perceel mogelijk te maken. Tegen Veegplan 3 had geen van de appellanten overigens bezwaren, zodat dat onherroepelijk wordt nadat zij hun beroepen van rechtswege daartegen ter zitting hadden ingetrokken.
Wat de Afdeling problematisch vindt, is dat op de gemeentelijke planviewer (voor zover hier relevant) slechts drie kaartlagen beschikbaar zijn: het oorspronkelijke ‘Omgevingsplan’, de veeg- en postzegelplannen die nog in procedure zijn en de veeg- en postzegelplannen die zijn vastgesteld. Dat betekent dat Veegplan 1, 2 en 3 niet afzonderlijk raadpleegbaar zijn. Het is de Afdeling daarom ook niet duidelijk wat de verschillende Veegplannen precies wijzigden in het ‘Omgevingsplan’. Dat kan in dit geval niet uit de vaststellingsbesluiten of uit de toelichtingen worden afgeleid. De Afdeling wijst er verder op dat onder de Omgevingswet het omgevingsplan geconsolideerd beschikbaar moet worden gesteld op ‘Regels op de kaart’, maar dat daarbij een tijdreisfunctie is ingevoegd, juist zodat steeds raadpleegbaar is welke regels op een bepaald moment golden. Dat is met de gemeentelijke planviewer van Brielle niet het geval. Als de raad het ‘Omgevingsplan’ met de Veegplannen geconsolideerd beschikbaar wil stellen – hetgeen op zich is toegestaan – dient daarbij wel een tijdreisfunctie te worden ingevoegd. De Afdeling wijst daarbij op de rechtszekerheid van burgers en het belang van effectieve rechtspraak.
De Afdeling concludeert dat het niet mogelijk is om vast te stellen wat de inhoud is van Veegplan 1 en Veegplan 2 (Veegplan 3 vormde zoals gezegd geen voorwerp van geschil). Logischerwijs kan daarom ook geen inhoudelijke uitspraak op het beroep worden gedaan. De Afdeling vernietigt de beide Veegplannen (voor die betrekking hebben op de percelen van appellanten), zodat daar uitsluitend het ‘Omgevingsplan’ van toepassing was. De Afdeling geeft de raad voor het vervolg nog mee om na te gaan of het ‘Omgevingsplan’ en de Veegplannen (voor zover niet vernietigd) mogelijk alsnog – met een tijdreisfunctie – op de landelijke voorziening (Regels op de kaart) moeten worden gepubliceerd, gelet op het feit dat daarop de Omgevingswet van toepassing is nadat deze onherroepelijk zijn geworden.
Een bijzondere, maar wel goed te begrijpen uitspraak: burgers moeten immers kunnen weten op welk moment welke regels van toepassing zijn op hun perceel. In het feit dat de Afdeling ook expliciet ‘effectieve rechtspraak’ noemt als argument, zou men enige irritatie kunnen lezen over de manier waarop de handelwijze van de raad het werk van de Afdeling bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. Dat valt wel te begrijpen; hoe kan men immers oordelen over een besluit, als de inhoud van dat besluit niet eens vast te stellen valt?
Het Tracébesluit van de Minister van I&W over verbreding en reconstructie van de A27/A12 Ring Utrecht blijft de gemoederen bezighouden. Bij tussenuitspraak van 30 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1971) heeft de Afdeling de Minister opgedragen om geconstateerde gebreken in het Tracébesluit te herstellen. Dat heeft de Minister bij besluit van 23 oktober 2025 gedaan.
In de einduitspraak oordeelt de Afdeling over dit nieuwe gewijzigde Tracébesluit: ook nu oordeelt de Afdeling dat het besluit de toets der kritiek niet doorstaat.
Een belangrijk struikelblok vormt de stikstofproblematiek. In de tussenuitspraak van 30 april 2025 oordeelde de Afdeling dat op basis van de passende beoordeling die aan de oorspronkelijke Tracébesluiten uit 2020 en 2022 ten grondslag ligt niet is uitgesloten dat het project voor een aantal Natura 2000-gebieden leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van die gebieden. De Minister meende dat de toename van de stikstofdepositie door het project kon worden weggestreept tegen de beëindiging van depositie door een aantal agrarische bedrijven in de omgeving. Dat betreft dan extern salderen. De Afdeling oordeelde daar anders over en stelde dat niet werd voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
In het kader van dat vereiste moet namelijk ook worden onderzocht of de stikstofdepositie die vrij komt door het stoppen van in dit geval agrarische bedrijven niet geheel of gedeeltelijk nodig is om de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000- gebieden te herstellen. Dat was niet gedaan, zo blijkt uit de tussenuitspraak uit april 2025.
De Minister heeft gemeend dit gebrek te hebben hersteld in het nieuwe besluit van 23 oktober 2025. Er is een aanvullende passende beoordeling gemaakt. Daarnaast stelt de Minister dat er een uitvoerbaar compensatieplan is voor zover natuurwaarden door uitvoering van het tracé zouden worden aangetast. Echter, naar het oordeel van de Afdeling is in het nieuwe besluit opnieuw niet aangetoond dat is voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
De Afdeling verwijst naar de natuurdoelanalyses die voor de betrokken gebieden zijn opgesteld en de toetsing daarvan door de Ecologische Autoriteit. De staat van de natuur in de betrokken gebieden is van dien aard dat de Minister zich niet met recht op het standpunt kan stellen dat de stikstofruimte die vrijkomt door het stoppen van de bedrijven kan worden ingezet voor het Tracébesluit en niet al nodig is om natuurwaarden te herstellen.
Conclusie: extern salderen, althans op deze manier, is geen optie om ervoor te zorgen dat stikstof geen beletsel vormt om het project A27/A12 Ring Utrecht uit te kunnen voeren. De Afdeling had er in de tussenuitspraak nog op gewezen dat het denkbaar is om in plaats van of naast extern salderen te kiezen voor het treffen van extra compenserende maatregelen om zo te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk behouden blijft. De Minister heeft daar geen gebruik van gemaakt door slechts te verwijzen naar het reeds in 2020 vastgestelde bruto compensatieplan voor het Natura 2000-gebied Veluwe. De Afdeling heeft daarom het Tracébesluit 2022 en het daaraan voorafgaande Tracébesluit uit 2020, vernietigd. Mocht de Minister willen dat het project alsnog doorgang zal vinden dan zal een geheel nieuw besluit moeten worden genomen.
Deze uitspraak toont aan dat er strenge eisen worden gesteld aan een veelomvattend infrastructureel project. Dat heeft dan vaak te maken met de stikstofproblematiek. Het is de vraag wat de Afdeling had geoordeeld als de Minister wel extra aanvullende compensatiemaatregelen had getroffen die daadwerkelijk uitvoerbaar zijn. Temeer daar bij een project als de verbreding van een autosnelweg onder omstandigheden ook gekozen kan worden voor de zogenaamde ADC-toets (art. 6 lid 4 Habitatrichtlijn).
Heeft u zelf te maken met een kwestie in het Omgevingsrecht? Dan kan het raadzaam zijn juridisch advies in te winnen. Onze bestuursrechtspecialisten Sander van Gent, Charles van Mierlo en Tom Dekker helpen u graag verder.
Neemt u gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder!
Meldt u zich vrijblijvend aan voor onze nieuwsbrief.
Download het bestand.