Kort Commentaar Omgevingsrecht | Week 17

22 april 2026

In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en rechtbanken op het gebied van het omgevingsrecht. In deze KCO: handhaving geboden ondanks concreet zicht op legalisatie en handhaving op zorgplichten.

Handhaving geboden ondanks concreet zicht op legalisatie (ECLI:NL:RVS:2026:2081).

Deze uitspraak betreft een langdurig geschil tussen een eendenslachterij, een omwonende en het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

Appellante heeft in 2018 een verzoek om handhaving ingediend vanwege ervaren geur- en geluidsoverlast afkomstig van de slachterij. Het college had dit verzoek in eerste instantie toegewezen en aan de eendenslachterij een last onder dwangsom opgelegd. In bezwaar heeft het college dit besluit herroepen en het verzoek alsnog afgewezen. Dat besluit is door de rechtbank vernietigd en aan het college is opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Vervolgens heeft het college het bezwaar alsnog deels gegrond verklaard en zes lasten onder dwangsom opgelegd aan de eendenslachterij. Tegen dit besluit komen zowel appellante als de eendenslachterij op. Van belang voor deze blog is het beroep van de eendenslachterij tegen last 5. Met die last werd de eendenslachterij om “de werktijden uit de milieuvergunning uit 2002, herzien in 2006, na te leven”.

Tussen partijen is niet in geschil dat de eendenslachterij zich niet aan de vergunde werktijden houdt. Echter, in de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd zijn veel ruimere werktijden opgenomen, waardoor de eendenslachterij niet meer in overtreding zal zijn. Zij voert dan ook aan dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 23 maart 2022 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2022:800) overweegt zij dat het bevoegd gezag bij concreet zicht op legalisatie niet zonder meer verplicht is om af te zien van handhavend optreden. In dat geval zal het bevoegd gezag nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij het bevoegd gezag rekening zal moeten houden met de omstandigheden van het concrete geval.

In dit geval mocht het college ondanks concreet zicht op legalisatie een last onder dwangsom opleggen. Het college mocht het belang van appellante (de omwonende) laten prevaleren boven het belang van de eendenslachterij. De reden daarvan was dat de omwonende als gevolg van de illegale activiteiten jaren overlast had. In het bijzonder heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de eendenslachterij er zelf voor heeft gekozen om zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning haar bedrijfsactiviteiten uit te breiden en dat zij daarvan ook jarenlang heeft geprofiteerd. Daarbij komt dat eendenslachterij de overtreding van de vergunde werktijden en verkeersbewegingen onverminderd heeft voortgezet, terwijl zij er na de eerste, maar zeker na de tweede uitspraak van de rechtbank rekening mee had moeten houden dat de handhavingsprocedure mogelijk niet in haar voordeel zou uitvallen, aldus de Afdeling.

Saillant detail is dat dezelfde ontwerp-omgevingsvergunning wel concreet zicht op legalisatie met zich bracht waardoor niet handhavend werd opgetreden ten aanzien van handelen in strijd met het bestemmingsplan. Dat zag op het aanleggen van een ondergrondse gasleiding en een bovengronds gasstation zonder omgevingsvergunning.

In deze uitspraak bevestigt de Afdeling dat concreet zicht op legalisatie niet automatisch met zich brengt dat van handhavend optreden afgezien moet worden. Er kunnen omstandigheden zijn dat handhaving toch geboden is. In deze uitspraak en de uitspraak uit 2022 waarin dat het geval was, was sprake van ernstige hinder door omwonenden door de illegale handelingen. Een conclusie die getrokken kan worden is dat overlast voor derden van doorslaggevend belang kan zijn om toch handhavend op te treden terwijl sprake is van concreet zicht op legalisatie.

Handhaving op zorgplichten (ECLI:NL:RBDHA:2026:7185)

Deze rechtbankuitspraak handelt over handhaving op de zorgplichten uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In 2019 hebben de buren van eiser op het naastgelegen perceel een schuur gebouwd in de ruimte tussen de beide woningen. Deze schuur staat op enkele centimeters afstand van de zijgevel van de woning van eiser, op grond die eigendom is van de buren. Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend omdat hij als gevolg van de schuur vocht- en geluidsoverlast ervaart in zijn woning.

Ten eerste stelt de rechtbank vast dat de schuur vergunningvrij mocht worden gebouwd. De schuur voldeed namelijk aan het omgevingsplan.

Ten tweede onderzoekt de rechtbank of sprake is van strijd met het Bbl in het licht van de regel dat een bouwwerk dient te beschikken over een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd (artikelen 3.111 Bbl en 4.204 Bbl). Daarvan is geen sprake, omdat na de hoorzitting in bezwaar op grond van een handhavingsrapport is geconstateerd dat er alsnog een waterafvoer aan de schuur is gerealiseerd en dat de schuur niet meer afwatert richting de zijgevel van de woning van eiser. 

Ook is geen sprake van strijd met de specifieke zorgplicht van artikel 3.5 van het Bbl, zo overweegt de rechtbank. De reden daarvan is dat dat artikel ziet op op de bouwkundige staat van het bouwwerk en niet op de positionering ervan.

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of sprake is van strijd met de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet. Het college heeft deze zorgplicht niet meegewogen in de besluitvorming, waardoor de rechtbank op grond van dit gebrek het besluit wel vernietigt. De rechtbank laat evenwel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat geen sprake is van sprake is van onmiskenbare strijd met de zorgplicht. De enkele omstandigheid dat uit het door eiser overgelegde bouwkundig rapport volgt dat de beperkte afstand tussen de schuur en de gevel van de woning van eiser leidt tot onvoldoende natuurlijke ventilatie en dat hierdoor onder meer een verhoogd risico op vochtbelasting ontstaat, is hiervoor volgens de rechtbank onvoldoende.

Uit deze uitspraak blijkt dat bij de besluitvorming in geval van een verzoek om handhaving de algemene zorgplicht een rol kan spelen. Het is aan het bevoegd gezag om te onderzoeken of sprake is van onmiskenbare strijd met die zorgplicht. Dat is echter wel een hoge drempel om te nemen. Er zal moeten vaststaan, bijvoorbeeld door onderzoek, dat sprake is van strijd met de algemene zorgplicht. Zonder dat kan op grond van de algemene zorgplicht niet worden gehandhaafd. Als de burger desondanks van mening is dat sprake is van onrechtmatige hinder, dient hij zich daarvoor tot de civiele rechter te wenden.

Onze specialisten staan voor u klaar

Heeft u zelf te maken met een kwestie in het Omgevingsrecht? Dan kan het raadzaam zijn juridisch advies in te winnen. Onze bestuursrechtspecialisten Sander van Gent, Charles van Mierlo en Tom Dekker helpen u graag verder.

Gerelateerde Actualiteiten