Kort Commentaar Omgevingsrecht | Week 22

2 juni 2026

In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de bestuursrechters op het gebied van het omgevingsrecht. In deze aflevering: een enkele verwijzing naar beleid is onvoldoende om aan de eigenaar van een perceel extra verplichtingen op te leggen en concreet zicht op legalisatie kan zelfs bestaan als het college de gevraagde omgevingsvergunning zou willen weigeren.

Verwijzing naar ‘het beleid’ onvoldoende voor extra verplichtingen (ECLI:NL:RVS:2026:3053)

Op 27 mei 2026 deed de Afdeling uitspraak over het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Aan Veertien 2023” van de gemeente Nederweert. Met dat plan wil de raad het planologisch regime van het bedrijventerrein actualiseren met het oog op uitbreiding en toekomstbestendigheid. Appellante, een recyclingbedrijf op het terrein, komt op tegen het plan voor zover dat haar perceel betreft, omdat zij daardoor onnodig wordt beperkt in haar toekomstige bouwmogelijkheden. Wij bespreken twee beroepsgronden.

De eerste beroepsgrond betreft de aan het perceel toegekende dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”. Daardoor moet bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen een rapport worden overgelegd over de archeologische waarde van het terrein. Appellante betoogt dat de raad eerst zelf had moeten onderzoeken of op haar perceel archeologische waarden aanwezig zijn, voordat deze dubbelbestemming kon worden toegekend. Daarbij wijst zij erop dat de bodem door eerdere werkzaamheden waarschijnlijk al is verstoord en dat het terrein al geruime tijd is bebouwd en verhard. De raad stelt daartegenover dat de dubbelbestemming aansluit bij het geldende archeologisch beleid en dat eerdere verstoringen kunnen worden betrokken bij het archeologisch rapport dat later bij een vergunningaanvraag wordt opgesteld.

De Afdeling volgt dat niet. Met een verwijzing naar algemeen archeologisch beleid heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom deze verplichting uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. De Afdeling stelt de eigen onderzoeksplicht van de raad hier nadrukkelijk voorop. Die plicht kan niet worden doorgeschoven naar de vergunningfase of naar appellante als toekomstige aanvrager. Daarmee is ook onvoldoende gemotiveerd waarom deze dubbelbestemming in het nieuwe plan nodig is, terwijl zij in het vorige plan ontbrak.

De tweede beroepsgrond ziet op de afvoer van hemelwater. Appellante betoogt dat de in artikel 10.2 opgenomen eis van afkoppeling op eigen perceel onvoldoende rekening houdt met de locatiespecifieke omstandigheden. De raad stelt dat deze planregel aansluit bij het “Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2024”, dat vanwege hevige regenval is aangescherpt.

Ook die motivering volstaat volgens de Afdeling niet. Een enkele verwijzing naar rioleringsbeleid is daarvoor onvoldoende. De raad heeft niet onderzocht of afkoppeling op dit perceel feitelijk mogelijk is en evenmin of, gelet op de lokale situatie, aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken en afvoer naar het nabijgelegen kanaal toe te staan. Juist dat onderzoek had in de belangenafweging moeten worden betrokken.

Deze uitspraak bevestigt dat de raad niet kan volstaan met een verwijzing naar algemeen beleid, maar zelfstandig moet motiveren waarom planregels ruimtelijk noodzakelijk en aanvaardbaar zijn. Dat valt te begrijpen. Algemene beleidskaders ontslaan het bestuursorgaan niet van de plicht om de concrete situatie te onderzoeken en de feitelijke uitvoerbaarheid in de belangenafweging te betrekken. De vraag is dan ook niet alleen of een planregel beleidsmatig verdedigbaar is, maar ook of zij op deze locatie dragend kan worden gemotiveerd. 

Ook zonder medewerking van het college kan concreet zicht op legalisatie bestaan (ECLI:NL:RBDHA:2026:11003)

Op 1 mei 2026 deed de rechtbank Den Haag een interessante uitspraak over concreet zicht op legalisatie. Volgens vaste rechtspraak ontbreekt dat in beginsel als voor legalisatie een afwijking van het bestemmingsplan nodig is en het college daaraan niet wil meewerken. In deze zaak toetst de rechtbank die weigering echter inhoudelijk en acht zij die niet houdbaar.

De zaak betreft drie besluiten: een last onder dwangsom wegens een zonder omgevingsvergunning gebouwd dakterras, een buiten behandeling gelaten aanvraag om dat dakterras te legaliseren en een beschikking tot invordering van een verbeurde dwangsom.

De rechtbank bespreekt eerst de aanvraag om de omgevingsvergunning. Volgens het college was geen sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb, omdat eiser daarbij geen belanghebbende zou zijn. Het college wees erop dat het dakterras niet kon worden gerealiseerd zonder privaatrechtelijke toestemming van de buren. De rechtbank overweegt echter dat daarvan alleen sprake is als (i) de activiteit ziet op gronden van een ander, (ii) die rechthebbende geen toestemming wil geven en (iii) realisatie tegen diens wil in onmogelijk is. Uit verschillende stukken, waaronder een proces-verbaal van de kantonrechter, bleek volgens de rechtbank juist dat verschillende buren het dakterras hadden geaccepteerd. Het college had de aanvraag daarom ten onrechte buiten behandeling gelaten.

Dan de last onder dwangsom. Het college stelde dat concreet zicht op legalisatie ontbrak, omdat het niet bereid was mee te werken aan de voor legalisatie vereiste afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank wijst echter op de uitzondering dat dit anders kan zijn als dat standpunt op voorhand rechtens onhoudbaar is. Hoewel daarbij een zeer terughoudende toets past, doet die uitzondering zich hier volgens de rechtbank voor. Ter zitting had het college namelijk verklaard dat de enige reden voor weigering van de vergunning was gelegen in het ontbreken van toestemming van de buren, oftewel een evidente privaatrechtelijke belemmering. Juist omdat al twijfel bestond of die toestemming inderdaad ontbrak, was van zo’n evidente belemmering geen sprake. Het college had daarom onvoldoende gemotiveerd dat concreet zicht op legalisatie ontbrak.

Deze uitspraak is van belang voor de handhavingspraktijk, omdat daaruit blijkt dat concreet zicht op legalisatie ook mogelijk kan zijn als het college niet bereid is een planologische afwijking te vergunnen. De motivering van die weigering kan in een handhavingsprocedure worden getoetst, al zal die toets in de regel zeer terughoudend blijven. Verder bevestigt deze uitspraak opnieuw de beperkte rol van het privaatrecht bij vergunningverlening: alleen in overduidelijke gevallen kan het bevoegd gezag daaraan doorslaggevende betekenis toekennen.

Gerelateerde Actualiteiten