Kort Commentaar Omgevingsrecht | Week 23-25

23 juni 2026

In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de bestuursrechters op het gebied van het omgevingsrecht. In deze aflevering: ondergeschikte wijzigingen en het overgangsrecht van de Omgevingswet. 

Wabo ook van toepassing op ondergeschikte wijziging (ECLI:NL:RVS:2026:3163)

Op 3 juni 2026 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in twee zaken die beide verband houden met een woningvergroting in Middelburg. In deze uitspraak verduidelijkt de Afdeling het overgangsrecht voor ondergeschikte wijzigingen die na 1 januari 2024 worden aangevraagd voor een nog niet onherroepelijke omgevingsvergunning.

De eerste zaak gaat over de omgevingsvergunning voor het verbouwen van de woning, die op 7 juni 2022 aan de eigenaar is verleend. De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank over deze vergunning. Het college mocht een afwijking van het bestemmingsplan vergunnen en het bouwwerk is terecht niet in strijd met de redelijke eisen van welstand geacht.

De tweede zaak ziet op de afwijzing van een handhavingsverzoek vanwege enkele afwijkingen van de verleende vergunning. De vergunning was inmiddels gewijzigd, zodat het college niet langer bevoegd was om handhavend op te treden. De afwijzing blijft daardoor in stand.

Tot slot beoordeelt de Afdeling ambtshalve het beroep tegen de wijzigingsvergunning. Daartegen was door dezelfde appellanten bezwaar gemaakt. Het college had op dat bezwaar beslist, waarna beroep was ingesteld bij de rechtbank en de rechtbank ook over de wijzigingsvergunning uitspraak had gedaan. Op het moment waarop de wijzigingsvergunning werd verleend, liep echter al de hogerberoepsprocedure tegen de initiële vergunning. Volgens de Afdeling had de wijzigingsvergunning daarom moeten worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 Awb. Het ging namelijk om een wijziging van ondergeschikte aard: de aard, omvang en ruimtelijke uitstraling van de woning waren door de wijzigingen niet ingrijpend gewijzigd. Dat betekent dat dit besluit direct naar de Afdeling had moeten worden gestuurd. Het college was in zoverre onbevoegd om op het bezwaar te beslissen.

Dat voor de wijzigingsvergunning een afzonderlijke aanvraag was ingediend, doet daaraan volgens de Afdeling niet af. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat voor een ondergeschikte wijziging geen nieuwe aanvraag hoeft te worden ingediend, zolang de initiële vergunning nog niet onherroepelijk is. Wij begrijpen dit oordeel zo dat de afzonderlijke aanvraag in dit geval niet beslissend is voor de bevoegdheidsvraag. De wijziging wordt procedureel meegetrokken met de nog lopende procedure over de oorspronkelijke vergunning.

De Afdeling beoordeelt vervolgens zelf het primaire besluit tot verlening van de wijzigingsvergunning (en vernietigt de beslissing op bezwaar, omdat deze onbevoegd is genomen). Daarbij constateert de Afdeling dat het college op de wijzigingsvergunning de Omgevingswet van toepassing heeft geacht, kennelijk omdat de aanvraag na 1 januari 2024 is gedaan. Dat is op zichzelf geen onbegrijpelijke gedachte, maar volgens de Afdeling ligt dat in deze zaak toch anders. Het besluit tot wijziging houdt geen nieuwe vergunning in, maar slechts een wijziging van de bestaande vergunning. Door dat besluit beschikt de eigenaar uitsluitend over een vergunning om de woningaanpassing mét de wijzigingen te realiseren. Vanwege die samenhang tussen de initiële vergunning en de wijzigingsvergunning moet op beide besluiten hetzelfde recht van toepassing zijn.

De Afdeling overweegt daarom dat als vóór 1 januari 2024 voor een bouwplan een aanvraag is gedaan om een omgevingsvergunning en het college daarop nog niet onherroepelijk heeft beslist, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 ook van toepassing blijft op een besluit over een ondergeschikte wijziging. Dat geldt totdat ook het besluit over die ondergeschikte wijziging onherroepelijk wordt.

Of de Afdeling hier zelf een nieuwe overgangsregel formuleert of slechts het bestaande overgangsrecht uitlegt, is niet geheel duidelijk. Enerzijds is goed verdedigbaar dat uit artikel 6:19 Awb en artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet al volgt dat op wijzigingsbesluiten hangende een Wabo-procedure ook de Wabo van toepassing is. Anderzijds stelt de Afdeling dat ‘naar [haar] oordeel’ in dit geval op beide besluiten hetzelfde recht van toepassing dient te zijn. Dat suggereert eerder een pragmatische lijn dan een oordeel dat rechtstreeks uit de tekst van het overgangsrecht voortvloeit.

Hoe dan ook is eens te meer duidelijk dat het bevoegd gezag ondergeschikte wijzigingen hangende een lopende procedure moet aanmerken als besluiten in de zin van artikel 6:19 Awb, ook als daaraan een afzonderlijke aanvraag ten grondslag ligt. Bovendien moet in dat geval het recht worden toegepast dat op het initiële besluit van toepassing is.

Gerelateerde Actualiteiten