Tegelen-jurisprudentie ook van toepassing onder de Omgevingswet

23 juli 2026

In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en rechtbanken op het gebied van het omgevingsrecht. 

In dit KCO: Tegelen-jurisprudentie ook van toepassing onder de Omgevingswet en is sprake van een primair besluit of een 6:19-besluit.

Tegelen-jurisprudentie ook van toepassing onder de Omgevingswet (ECLI:NL:RVS:2026:4252)

De gemeenteraad van de gemeente Noordwijk heeft het bestemmingsplan “Correctie Zeewaardig, fase 3” vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van onder meer appartementen en commerciële ruimten mogelijk op de locaties. Appellanten hebben gronden in de nabijheid van deze locaties in eigendom. Zij zijn het niet eens met de ruimere bouwmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Vervolgens is een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 76 appartementen, commerciële ruimten en een ondergrondse parkeergarage in het plangebied. Het omgevingsplan, inclusief het nieuwe bestemmingsplan, maakt dit bouwplan slechts mogelijk met toepassing van binnenplanse afwijkingsbevoegdheden zoals die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Het college van Noordwijk heeft de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Daarop hebben appellanten de voorzieningenrechter gevraagd om het bestemmingsplan, dat deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, te schorsen totdat op de beroepen tegen dat bestemmingsplan is beslist in de bodemprocedure. 

In deze uitspraak staat centraal of sprake is van een spoedeisend belang. Immers, in beginsel kan alleen een voorlopige voorziening getroffen worden als sprake is van spoedeisendheid. De Afdeling beoordeelt de spoedeisendheid aan de hand van de zogenaamde Tegelen-jurisprudentie. Deze lijn in de jurisprudentie houdt in dat als na (of gelijktijdig met) het vaststellen en in werking treden van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning wordt verleend, de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (onder de Wabo de a-vergunning) in stand blijft ook al wordt het bestemmingsplan op later moment (deels) vernietigd. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt dan namelijk getoetst aan het vernietigde bestemmingsplan. Dit vormt een uitzondering op de regel dat de vernietiging van een bestemmingsplan terugwerkende kracht heeft en het bestemmingsplan dus geacht wordt nooit te hebben gegolden. Dat geldt wel alleen als het bouwplan past binnen het bestemmingsplan en er dus niet ook een omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ nodig is. Is dat laatste het geval, dan geldt de uitzondering niet en wordt de vergunning voor beide activiteiten (bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) getoetst aan het voorheen geldende (herleefde) bestemmingsplan.

Omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in stand blijft, ook al gaat het bestemmingsplan onderuit, is in dat geval sprake van een spoedeisend belang bij schorsing van het bestemmingsplan. Als het bestemmingsplan niet wordt geschorst, dan behoudt de initiatiefnemer immers zijn omgevingsvergunning. Indien sprake is van een omgevingsvergunning voor bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, dan is niet per definitie sprake van spoedeisend belang. Daarvan is dan pas sprake als gebruik wordt gemaakt van de vergunning (zie voor die lijn in de jurisprudentie ABRvS 12 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4551).

De Afdeling overweegt met de onderhavige uitspraak nu dat deze lijn wordt doorgezet onder de Omgevingswet. Indien sprake is van een BOPA, dan is niet per definitie sprake van spoedeisend belang, omdat er geen sprake is van een rechtstreekse aanspraak op een omgevingsvergunning. Dat geldt evenzo voor de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit die wordt verleend aan de hand van de binnenplanse afwijkingsregels uit een bestemmingsplan. In dergelijke gevallen is geen sprake van een rechtstreekse aanspraak op een omgevingsvergunning, maar van een discretionaire bevoegdheid van het bevoegd gezag om die vergunning al dan niet te verlenen. Bij de beoordeling of de omgevingsvergunning moet worden verleend, moet het bevoegd gezag ook beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zie hiervoor ABRvS 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624.

In dit geval was de litigieuze omgevingsvergunning verleend met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af, wegens gebrek aan spoedeisend belang van de appellanten.

Uit deze uitspraak blijkt dus dat de Tegelen-jurisprudentie onder de Omgevingswet blijft gehandhaafd. Indien sprake is van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die verleend moet worden vanwege het limitatief-imperatief stelsel, dan is wel sprake van spoedeisend belang. Indien sprake is van een omgevingsvergunning waarbij het bevoegd gezag nog moet beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dan is de uitzondering van de Tegelen-jurisprudentie niet van toepassing en is in beginsel geen sprake van spoedeisend belang door het enkele verlenen van de omgevingsvergunning.

Is sprake van een primair besluit of een 6:19-besluit? (ECLI:NL:RVS:2026:4288)

Deze uitspraak gaat over de aanleg van een bussluis. Bij besluit van 26 januari 2021 heeft het college van Amstelveen besloten om een bussluis aan te leggen. Tegen dit verkeersbesluit hebben appellanten beroep ingediend. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 8 november 2022 het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. In die uitspraak heeft de rechtbank bij voorlopige voorziening bepaald dat de bussluis in stand blijft tot zes weken nadat het college een nieuw besluit heeft genomen. 

Vervolgens heeft het college bij besluit van 31 januari 2023 gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en opnieuw besloten om de bussluis te realiseren. De bestaande situatie bleef met dat besluit in stand. Ook tegen dit besluit kwamen appellanten op bij de rechtbank. De rechtbank heeft het besluit op 20 mei 2025 wederom vernietigd en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de feitelijke uitvoering van het tweede verkeersbesluit van 31 januari 2023 in stand blijft tot uiterlijk zes maanden na de dag van verzending van haar uitspraak. Tegen deze uitspraak hadden appellanten hoger beroep ingesteld. 

Bij besluit van 11 november 2025 heeft het college een derde verkeersbesluit genomen. Met dit besluit heeft het college opnieuw besloten om door middel van het treffen van een fysieke maatregel een bussluis aan te brengen. Hiermee bleef de bestaande situatie wederom in stand. 

Het college stelde zich in deze hogerberoepsprocedure op het standpunt dat het derde verkeersbesluit (van 11 november 2025) een nieuw primair besluit was, waartegen bezwaar en beroep openstond. Het college had daarom beslist op de bezwaren tegen het nieuwe verkeersbesluit. De Afdeling gaat daarin niet mee. Zij overweegt dat sprake is van een 6:19-besluit, omdat “het is genomen met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid door het zelfde bestuursorgaan en op dezelfde feitelijke grondslag, waarbij is gebleven binnen de grondslag en reikwijdte van de eerste besluitvorming”. Volgens de Afdeling strekt het besluit van 11 november 2025 tot vervanging dan wel wijziging van het besluit van 31 januari 2023. De Afdeling vernietigt daarom de beslissing op bezwaar.

Deze uitspraak laat zien dat als een nieuw besluit wordt genomen nadat een eerder besluit is vernietigd door de bestuursrechter, terwijl over die vernietiging nog een procedure aanhangig is, de kans groot is dat sprake is van een zogenaamd 6:19-besluit. Het is voor bevoegde gezagen goed om hier beducht op te zijn. Deze besluiten moeten immers onverwijld ter beschikking worden gesteld aan het orgaan waarbij het (hoger) beroep aanhangig is. Het eerst doorlopen van een bezwaarprocedure is niet alleen onjuist, maar ook zonde van tijd en geld.