Wet versterking regie volkshuisvesting: wat is veranderd?

18 augustus 2026

Nederland kampt met een groot woningtekort. De huidige wooncrisis is aanleiding geweest voor de wetgever om de Wet versterking regie volkshuisvesting (hierna: Wet) vast te stellen. De Wet wijzigt de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet (hierna: Ow), de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) en de Woningwet. De Wet is per 1 juli 2026 in werking getreden. Echter, sommige onderdelen treden later in werking door middel van het Besluit versterking regie volkshuisvesting (hierna: Besluit) dat naar verwachting op 1 januari 2027 in werking treedt.

De wijzigingen van de Wmo en de Woningwet door de Wet hebben als doel om wonen, zorg en volkshuisvestingsbeleid beter op elkaar af te stemmen. De Wet verschuift de regie op wonen van de vrijwillige woonvisie naar het volkshuisvestingsprogramma, dat met deze wijziging wettelijk wordt verankerd. Deze wijzigingen leggen met name verplichtingen op aan gemeenten. Ten aanzien van hun Wmo-beleid moeten zij rekening houden met woon- en ondersteuningsbehoeften van bepaalde aandachtsgroepen. Daarnaast vervangt de Wet binnen de Woningwet de oude woonvisie door een verplicht volkshuisvestingsprogramma.

De belangrijkste wijzigingen vinden echter plaats in de Awb en de Ow. Deze wijzigingen hebben voornamelijk betrekking op procedureregels en zijn daarom niet alleen voor gemeenten, maar voor alle procederende partijen van belang. In deze blog worden daarom enkel deze wijzigingen besproken. De wijzigingen in de andere wetten laten wij in deze blog onbesproken.

Wat verandert door de Wet versterking regie volkshuisvesting

In het kader van de Awb brengt de Wet een wijziging aan in de regeling van beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). In artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb zijn besluiten opgenomen waartegen beroep in eerste en enige aanleg openstaat bij de Afdeling. Tegen deze besluiten kan dus niet eerst beroep worden ingesteld bij de rechtbank.

Verschillende besluiten die op grond van de Ow worden genomen, waren al opgenomen in dit artikel. Zo bepaalde artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb al dat tegen de vaststelling van het omgevingsplan door de gemeenteraad in eerste en enige aanleg beroep openstaat bij de Afdeling. De Wet breidt artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb uit met een besluit dat is genomen op grond van artikel 16.87a van de Ow.

Het nieuwe artikel 16.87a Ow introduceert een versnelde procedure voor bepaalde categorieën maatschappelijk belangrijke projecten. Op grond van dit artikel 16.87a van de Ow kunnen bij algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB) projecten worden aangewezen waarvoor een versnelde procedure geldt. Het moet daarbij gaan om projecten die bijdragen aan het nastreven van doelen van de Ow zoals bedoeld in artikel 1.3 onder b, van de Ow, waarbij een versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Het vijfde lid van artikel 16.87a Ow bepaalt dat in ieder geval woningbouwprojecten waarbij ten minste één woning wordt gebouwd, als categorie worden aangewezen zoals bedoeld in het eerste lid.

Op voornoemde projecten zijn de bijzondere procedurele bepalingen van artikelen 16.86 en 16.87 van de Ow van toepassing.

Artikel 16.86 van de Ow bevatte reeds de bijzondere regeling voor het aanvoeren van beroepsgronden tegen projectbesluiten. Op grond van het eerste lid kunnen na afloop van de beroepstermijn geen gronden meer worden aangevoerd. Het derde lid sluit de mogelijkheid van een pro forma beroep tegen een projectbesluit of de uitvoering daarvan in beginsel uit, doordat het ontbreken van de beroepsgronden niet kan worden hersteld op grond van artikel 6:6 van de Awb. Met de invoering van artikel 16.87a van de Ow is deze regeling dus ook van toepassing op besluiten over aangewezen projecten, zoals (na inwerkingtreding van het Besluit) woningbouwprojecten.
Op grond van het nieuwe derde lid van artikel 16.77b van de Ow moet bij de bekendmaking van een projectbesluit, een uitvoeringsbesluit of een op grond van artikel 16.87a aangewezen besluit uitdrukkelijk worden gewezen op de bijzondere beroepsregeling van artikel 16.86 van de Ow. Dit kennen wij ook uit de Crisis- en herstelwet. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als niet voldaan wordt aan dit vereiste, een belanghebbende in beginsel niet kan worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2026:1930, r.o. 6.2).

Artikel 16.87 van de Ow bevatte de rechterlijke beslistermijnen op beroepen tegen projectbesluiten of besluiten ter uitvoering van projectbesluiten. Het artikel is door de Wet uitgebreid. Zo wordt thans voorgeschreven dat de Afdeling deze beroepen behandelt volgens de versnelde procedure van afdeling 8.2.3 van de Awb. Daarnaast wordt een adviestermijn van twee maanden voor de StAB ingevoerd en worden specifieke beslistermijnen vastgesteld voor situaties waarin een bestuurlijke lus wordt toegepast of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie worden gesteld. Dat de Afdeling binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift uitspraak moet doen, is behouden in het artikel.

Op woningbouwprojecten zal dit artikel dus ook van toepassing zijn. Dat brengt met zich dat de Afdeling binnen zes maanden uitspraak moet doen na ontvangst van het verweerschrift op een beroep tegen een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning. Ook is op de behandeling van dat beroep de versnelde behandeling van toepassing.

Door de Wet is voorts artikel 16.86a van de Ow in werking getreden. Op grond van dit artikel kan de Afdeling bij woningbouwprojecten zelfstandig bepalen dat na de behandeling van het beroep ter zitting geen nader onderzoek – en dus geen tweede zitting – meer plaatsvindt. Het is dan dus niet nodig om partijen hierover om instemming te vragen. Als de Afdeling bijvoorbeeld een tussenuitspraak heeft gedaan, dan hoeft het beroep niet op een tweede zitting behandeld te worden. Hierdoor kan sneller uitspraak worden gedaan over besluiten inzake omgevingsvergunningen en omgevingsplanactiviteiten voor woningbouw, zo is de gedachte. Overigens kan de Afdeling wel gewoon een tweede zitting houden. Voor dit artikel is geen overgangsrecht opgenomen in de Wet, zodat dit onmiddellijk in werking is getreden en dus ook betekenis heeft voor reeds lopende procedures over woningbouw.

Daarnaast wordt artikel 16.87b Ow ingevoerd. Dit artikel biedt de Afdeling de mogelijkheid om een verkorte motivering te geven in zaken over woningbouwprojecten. Indien de Afdeling in hoger beroep oordeelt dat een beroepsgrond niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, kan zij volstaan met de mededeling dat deze grond niet slaagt, zonder daarop verder inhoudelijk in te gaan. Opvallend is dat deze mogelijkheid alleen bestaat indien de Afdeling in hoger beroep oordeelt over woningbouwprojecten, terwijl artikel 16.87a Ow juist bepaalt dat deze besluiten moeten worden aangewezen voor de versnelde procedure, met als gevolg dat deze beroepen in eerste en enige aanleg door de Afdeling moeten worden behandeld. Ons lijkt daarom dat artikel 16.87b Ow (uitsluitend) betekenis heeft voor reeds lopende procedures over woningbouwprojecten en voor besluiten die worden bekendgemaakt voordat de aanwijzing als bedoeld in artikel 16.87a Ow plaatsvindt (zie het overgangsrecht, waarover hierna meer). De Wet bevat immers geen overgangsrecht voor artikel 16.87b Ow zodat dit artikel onmiddellijk in werking is getreden en dus van toepassing is op reeds lopende procedures.

De bevoegdheid die de Afdeling op grond van artikel 16.87b Ow krijgt, kan vergeleken worden met de bevoegdheid van de Hoge Raad om op grond van artikel 81 Wet RO een cassatieberoep verkort af te doen. Artikel 81 Wet RO bepaalt namelijk dat indien de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en geen aanleiding is tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling, hij zich kan beperken tot dit oordeel.

Aan hoofdstuk 22 van de Ow wordt een afdeling toegevoegd die het overgangsrecht bevat voor de procedurele regels. Van belang is dat artikel 16.87a (en daarmee de procedurele versnellingen) niet van toepassing is op een besluit dat is bekendgemaakt voordat de aanwijzing bij AMvB heeft plaatsgevonden. Dat betekent wel dat, als voorafgaand aan die aanwijzing een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd maar het definitieve besluit pas daarna bekend wordt gemaakt, de procedurele versnellingen ook op dat besluit van toepassing zijn.

Besluit versterking regie volkshuisvesting

Naast de Wet volgt ook het bijbehorende Besluit versterking regie volkshuisvesting. Deze algemene maatregel van bestuur zal naar verwachting op 1 januari 2027 in werking treden, maar ligt ten tijde van het schrijven van deze blog nog ter advisering bij de Afdeling advisering van de Raad van State.

Het Besluit versterking regie volkshuisvesting is voornemens om vier AMvB’s te wijzigen, namelijk het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 en het Omgevingsbesluit (Ob).

Het Besluit werkt de Wet nader uit. Daarbij richt het zich met name op verdere uitwerking van verplichtingen voor overheden. Hierna volgt een korte samenvatting van het Besluit.

Allereerst wijzigt het Besluit het Bbl. Daarbij wordt vergunningvrij bouwen voor mantelzorg- en familiewoningen op Rijksniveau vastgelegd (artikel 2.30a jo. 2.30b Bbl). Daarvoor gelden wel een aantal beperkingen, die zijn neergelegd in artikel 2.30c Bbl.

Vervolgens leidt het Besluit tot wijzigingen van het Bkl. Hierin worden nadere regels gesteld over de inhoud van de volkshuisvestingsprogramma’s, de landelijke woningbouwdoelen en betaalbare koop- en huurwoningen. Daarnaast worden provincies verplicht woningbouwregio’s aan te wijzen en krijgt de minister de taak gegevens te verzamelen over onder meer de woningtekorten, woningbouwopgaven, woonbehoeften, huishoudens, aandachtsgroepen en voortgang van de woningbouw.

Daarnaast wijzigt het Besluit het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015. Hierin wordt de overgang van de voormalige woonvisie naar het volkshuisvestingsprogramma nader uitgewerkt. Ook worden woningcorporaties gekoppeld aan het nieuwe volkshuisvestingsbeleid om meer mogelijkheden te krijgen om provinciebreed werkzaam te zijn.

Tot slot wordt het Ob gewijzigd. Hierin worden met name de besluiten aangewezen waarop de versnelde procedure van artikel 16.87a Ow van toepassing is. Dit zal worden vastgelegd in artikel 10.26f Ob.

Conclusie

Kortom, door de Wet worden procedures verkort. Althans, dat is de bedoeling van de wetgever. Of de Wet dat werkelijk voor elkaar krijgt, zullen wij moeten afwachten. Immers, de Afdeling heeft al veel zaken te behandelen. Door de rechtbank over te slaan, zullen dat er in ieder geval niet minder worden.