Affectieschadevergoeding in Nederland: een stapje dichterbij

Affectieschadevergoeding in Nederland: een stapje dichterbij

Geplaatst op

Recentelijk is door de Tweede Kamer het wetsvoorstel affectieschade met algemene stemmen aangenomen. Wat is affectieschade en wat houdt dit wetsvoorstel precies in? Hoe gaan andere Europese landen om met deze problematiek?

Misdrijven, medische fouten, arbeidsongevallen, verkeersongelukken… Stuk voor stuk kunnen deze gebeurtenissen oorzaak zijn van ernstig letsel of zelfs overlijden van slachtoffers. Voor (nabestaanden van) deze slachtoffers is het reeds mogelijk een schadevergoeding te claimen bij de aansprakelijke partij of diens verzekeraar. Deze schadevergoeding dekt materiële schade, denk hierbij onder andere aan een beschadigde auto, financiële schade door het niet meer kunnen werken en medische kosten. Gaat het om immateriële schade, dan heeft alleen het slachtoffer zelf recht op vergoeding daarvan. De vergoeding voor immateriële schade, ook wel smartengeld genoemd, is een vergoeding voor de pijn en het leed dat een slachtoffer door bijvoorbeeld een mishandeling, een mislukte operatie, een val van een steiger op het werk of door een kettingbotsing op de snelweg is aangedaan.

Hoe zit het nu met de immateriële schade van niet het slachtoffer zelf, maar zogeheten ‘secundaire slachtoffers’? Daarmee worden naasten en nabestaanden bedoeld. Ook zij kunnen immers immateriële schade lijden door het verdriet om hetgeen dat het (primaire) slachtoffer door de aansprakelijke partij is aangedaan. Bestaat voor hen dan ook een recht op smartengeld? Het antwoord is naar Nederlandse maatstaven: nee, tot op heden is het binnen het Nederlandse recht (nog) niet mogelijk voor secundaire slachtoffers om zogeheten ‘affectieschade’ vergoed te krijgen. De Nederlandse politiek is echter al wel jaren bezig om een wetsvoorstel te ontwikkelen dat een vergoeding van affectieschade mogelijk maakt. Een eerder wetsvoorstel hiertoe werd weliswaar aangenomen door de Tweede Kamer, maar is in 2010 verworpen door de Eerste Kamer. Eén van de redenen was dat men bang was voor ‘commercialisering van verdriet’. Op de verwerping is veel kritiek gekomen vanuit de praktijk: ook al is verdriet met een geldelijke vergoeding nooit weg te nemen, toch kan een vergoeding voor affectieschade erkenning en genoegdoening bieden, zo luidt de gedachte nog steeds. Daarom is onlangs een nieuwe poging gewaagd. Dit nieuwe wetsvoorstel is onlangs door de Tweede Kamer met algemene stemmen aangenomen. Het is nu nog aan de Eerste Kamer om zich over het wetsvoorstel te buigen.

Wat is de precieze inhoud van het wetsvoorstel affectieschade?

Het wetsvoorstel biedt een vaste kring van gerechtigden een affectieschadevergoeding indien een naaste door toedoen van een ander ernstig letsel oploopt of overlijdt. In ieder geval komen echtgenoten en geregistreerde partners, (stief)kinderen en (stief)ouders van slachtoffers in aanmerking voor deze vergoeding. Dit geldt ook voor mensen die een zeer nauwe persoonlijke band hebben (gehad) met het slachtoffer, denk bijvoorbeeld aan een opa of oma die zich heeft ontfermd over de zorg en opvoeding van het kleinkind. De voorgestelde wet bepaalt dat ook deze laatste personen als ‘naasten’ zijn aan te merken. Het wetsvoorstel geeft recht op een vergoeding van vaste bedragen, variërend van € 12.500,- tot € 20.000,-. Afhankelijk van de oorzaak van het verdriet (letsel of overlijden), de band tussen het slachtoffer en de naaste/nabestaande en daarnaast de aard van de gebeurtenis (geweldsmisdrijf of niet), wordt aan de hand van verschillende categorieën de uiteindelijke hoogte van de affectieschadevergoeding bepaald.

Een kijkje over de grens

Hoe is de positie van secundaire slachtoffers in andere Europese landen geregeld? Bestaat in die landen al een recht op vergoeding van affectieschade? Het antwoord luidt bevestigend: in bijna ieder ander Europees land bestaat een regeling die voorziet in het toekennen van een immateriële schadevergoeding aan secundaire slachtoffers. De vorm en mate waarin deze affectieschadevergoeding kan worden verkregen, zijn echter niet in alle landen gelijk. Zo kan bijvoorbeeld onderscheid worden gemaakt tussen rechtsstelsels die een aanspraak op vergoeding van affectieschade beperken tot alleen gevallen van overlijden en rechtsstelsels die daarnaast ook een vergoeding bieden ingeval van ernstig letsel. Ook is niet in alle landen de kring van gerechtigden gelijk. Tevens verschillen de bedragen van de affectieschadevergoeding per land; deze lopen uiteen van enkele tot tientallen duizenden euro’s. Hoewel in nagenoeg alle Europese landen recht bestaat op vergoeding van affectieschade, is op dit punt sprake van een nogal gemêleerd landschap. Daarvan zou gezegd kunnen worden dat dit haaks staat op de doelen die de Europese Unie nastreeft (o.a. gelijkheid van EU-burgers, eerbiediging van mensenrechten, het bevorderen van het welzijn van de volkeren).

Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en -eenheid zou men zich kunnen afvragen of de vergoeding van affectieschade niet op Europees niveau geregeld zou moeten worden. Vorig jaar onderzocht ik reeds de mogelijkheden tot het creëren van een Europese richtlijn (zie L. Boersma, ‘Een beknopte studie naar de mogelijkheid van Europese harmonisatie van vergoeding van affectieschade’, in: Letselschade en Europa. Internationale invloeden op de Nederlandse letselschadepraktijk (red. F.T. Oldenhuis & H. Vorsselman), Den Haag: BJu 2016, p. 87-102.).

De vraag die nu in Nederland speelt is of het huidige wetsvoorstel na de Tweede Kamer ook door de Eerste Kamer zal worden aangenomen. Het vorige wetsvoorstel werd immers door dit laatste orgaan nog afgewezen. Omdat zoals gezegd in vrijwel alle andere Europese landen inmiddels een affectieschaderegeling bestaat, zou het in mijn ogen wenselijk zijn dat het wetsvoorstel wordt aangenomen. Om ook Europese rechtszekerheid en -eenheid te bereiken, zou een Europese richtlijn affectieschade uitkomst kunnen bieden.

Deel deze pagina