De klachtplicht

De klachtplicht

Geplaatst op

Als je een werk opgeleverd krijgt, dit kan zijn een nieuw huis of een nieuwe badkamer, dan dien je deze na oplevering goed te onderzoeken op eventuele gebreken. Om schadevergoeding of herstel van die gebreken te kunnen vorderen, moet je vooral niet te lang wachten met het melden van deze gebreken aan de aannemer. Een dergelijke klachtplicht is opgenomen in ons Burgerlijk Wetboek, namelijk in artikel 6:89 BW. Ingeval van koop is hier een specifieke bepaling in het BW opgenomen, te weten artikel 7:23 BW. Als je niet tijdig protesteert dan verlies je als schuldeiser alle rechten en bevoegdheden die je op grond van deze gebreken ten dienste stonden. Het doel van deze regel is om een aannemer of een verkoper te beschermen tegen late en daardoor moeilijk te achterhalen klachten. In de vakliteratuur wordt artikel 6:89 BW ook wel beschouwd als een wettelijke uitwerking van het leerstuk van de rechtsverwerking. Enkel tijdsverloop is volgens vaste rechtspraak niet voldoende om van rechtsverwerking te kunnen spreken. Tegen die achtergrond moet artikel 6:89 BW zo worden begrepen dat een rechter niet ongevraagd kan beslissen dat een partij een bepaald recht heeft verworven.

 Een rechter kan dit doen slechts nadat de wederpartij daarop een beroep heeft gedaan. In juridische termen wordt dit verbod omschreven als een verbod tot ambtshalve toepassing. Dat rechters het in de praktijk daar niet altijd zo nauw meenemen volgt uit het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland van 7 mei 2014 (2765604 CV EXPL 14-1985). In deze zaak had de wederpartij (de aannemer) geen beroep gedaan op de omstandigheid dat de consument te laat zou hebben geklaagd. De aannemer had slechts in de conclusie van antwoord vermeld dat er op een bepaalde datum geklaagd was. Wellicht had de aannemer hier mee bedoeld te verklaren dat dit klagen laat zou zijn geweest, maar dit stond er niet. De rechter trok zich daar in deze casus niets van aan. Dit gold eveneens voor het feit dat oplevering nog niet had plaatsgevonden. Er was ook in het geheel geen opleveringsrapport of een ander document overgelegd waaruit oplevering zou kunnen blijken. De aannemer had tijdens de zitting verklaard dat een dergelijk rapport er wel zou zijn, maar dat hij deze niet had. Het opleveringsrapport was tot aan het moment van vonnis niet overgelegd. Zoals uit de uitspraak volgt gaf de rechtbank aan dat uit het gegeven dat de consument iets had getekend (wat dit dan ook moge zijn) voor de rechtbank voldoende aannemelijk was dat er sprake zou moeten zijn van oplevering. Welnu, de klachttermijn was inmiddels gaan lopen en deze paste de rechtbank vervolgens ambtshalve toe.

Wet en jurisprudentie kunnen dus nog zo helder zijn, rechters zijn daar niet altijd gevoelig voor. Wees daar dus op bedacht. De troost is dat er altijd nog de mogelijkheid is van hoger beroep. 

Deel deze pagina