De klachtplicht is niet van toepassing bij overtreding concurrentiebeding

25 maart 2024

Een werkgever beroept zich pas na acht maanden op de schending van het concurrentiebeding door twee voormalig werknemers. Heeft de werkgever daarmee de wettelijke klachtplicht geschonden? De Hoge Raad beantwoorde deze vraag ontkennend. Volgens de Hoge Raad is de klachtplicht niet van toepassing bij overtreding van het concurrentiebeding.

De klachtplicht

De klachtplicht houdt in dat een schuldeiser die op de hoogte is van een gebrek in een prestatie, zijn of haar schuldenaar hierover moet inlichten. Klaagt de schuldeiser niet tijdig over dit gebrek, dan kan het zijn dat hiermee het recht om een vergoeding te eisen, is verspeeld. Met de klachtplicht heeft de wetgever beoogd de schuldenaar te beschermen tegen te late klachten van de schuldeiser, waardoor het voor de schuldenaar moeilijk is om klachten te betwisten. De vraag die voorlag bij de Hoge Raad is of deze klachtplicht ook geldt bij de werkgever die pas na lange tijd klaagt over de voormalig werknemer die handelt in strijd met het concurrentiebeding.

Feiten

In de arbeidsovereenkomsten van twee werknemers van een installatiebedrijf is een concurrentiebeding opgenomen. De werknemers zeggen allebei in juli 2019 hun dienstverband op. De werkgever tracht één van de werknemers langer in het bedrijf te houden en verzoekt hem zijn vertrek uit te stellen, in welk geval de werkgever te kennen geeft bereid te zijn afstand te doen van het concurrentiebeding. Aan de andere werknemer heeft de werkgever een voorstel gedaan tot overname van de onderneming. Beide werknemers zijn niet ingegaan op het aanbod dat hen is gedaan. Na afloop van de arbeidsovereenkomsten zijn de werknemers in dienst getreden bij een ander installatiebedrijf. In maart 2020 richten beide werknemers, in strijd met het concurrentiebeding, gezamenlijk een vennootschap onder firma op. In februari 2021 meent de werkgever aanspraak te maken op betaling van € 351.000,- aan verbeurde boetes door ieder van hen.

Eerdere procedures

De kantonrechter heeft de vorderingen van de werkgever afgewezen. In hoger beroep oordeelde het Hof daarentegen dat de werknemers wél een boete waren verschuldigd. Het hof oordeelde dat de ene werknemer € 20.000,- en de andere werknemer € 30.000,- aan de werkgever moest betalen.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelde onder meer over de vraag of de wettelijke klachtplicht ook ziet op het concurrentiebeding. De wet bepaalt dat een schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. De klachtplicht moet de schuldenaar beschermen tegen te late klachten van een gebrek.

De Hoge Raad overweegt dat de verbintenis van een werknemer uit hoofde van een concurrentiebeding een verbintenis is om het in het concurrentiebeding omschreven handelen na te laten. Het gaat dus niet om gebrekkig presteren, maar om niet presteren. De wettelijke klachtplicht is hierop niet van toepassing. Het feit dat de werkgever pas jaren na overtreding van het concurrentiebeding actie heeft ondernomen, maakt dus niet uit. Echter, volgens de Hoge Raad kan de tijd die de werkgever laat verstrekken tussen de ontdekking van de overtreding van het beding en het daarop aanspreken van de werknemer, onder omstandigheden, grond opleveren voor matiging van de verbeurde boetes.

GERELATEERDE ACTUALITEITEN