De (on)redelijkheid van een beroep op een contractueel opzeggingsvereiste

De (on)redelijkheid van een beroep op een contractueel opzeggingsvereiste

Geplaatst op

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft op 10 februari jl. een belangwekkende uitspraak gedaan over de opzegging van een exploitatieovereenkomst (ECLI:NL:RBAMS:2016:1036).

Casus

Sinds enkele jaren baat A de kantine en het terras van kampeerterrein de Fransche Kamp uit. Daarvoor heeft zij de kantine lange tijd als vrijwilliger gerund. Partijen hebben een exploitatieovereenkomst gesloten over de exploitatie. In de overeenkomst is bepaald dat de overeenkomst zonder schriftelijke opzegging met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, wordt verlengd voor de duur van een kampeerseizoen.

Op enig moment ontstaat er onderlinge onrust. A stelt dat zij steeds vaker allerlei extra taken uitvoert als het inschrijven van nieuwe gasten zonder dat zij daar voor betaald wordt. De gemoederen lopen zo hoog op dat A stelt na het einde van het kampeerseizoen te stoppen met de uitbating van de kantine. Hierop begint de Fransche Kamp een zoektocht naar een nieuwe uitbater. A neemt ook deel aan deze sollicitatieprocedure. Uiteindelijk valt de keuze niet op A en wordt er een overeenkomst gesloten met een andere partij. Na hiervan kennis te hebben genomen wendt A zich tot de rechter.

A stelt dat zij de bovengenoemde uitspraken in een opwelling heeft gedaan, maar de overeenkomst nooit echt heeft willen opzeggen. Volgens haar is deze opzegging niet rechtsgeldig, omdat die niet schriftelijk is gedaan zoals in de overeenkomst is bepaald. De Fransche Kamp stelt dat de exploitatieovereenkomst geldig is opgezegd en vordert dat A wordt veroordeeld binnen een week de kantine te ontruimen op straffe van een dwangsom van € 1000,- voor iedere dag dat A hiermee in gebreke blijft.

Beoordeling

De voorzieningenrechter stelt dat vast staat dat A heeft gezegd te zullen stoppen met de uitbating van de kantine. Bovendien was A op de hoogte van de sollicitatieprocedure voor het vinden van een nieuwe uitbater: zij nam hier zelfs aan deel. Hierdoor had A moeten begrijpen dat de Fransche Kamp in de veronderstelling verkeerde dat de overeenkomst was opgezegd. A heeft echter op dat moment nagelaten op te merken dat zij de overeenkomst niet had opgezegd en dat zij de exploitatie wilde voortzetten.

Dit alles in ogenschouw nemend acht de voorzieningenrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat A zich op het ontbreken van een schriftelijke opzegging beroept en wijst haar vordering af. De vordering van De Fransche Kamp tot ontruiming van de kantine wordt toegewezen. Gezien de (voormalige) vriendschappelijke banden tussen de partijen wordt aan de veroordeling echter geen dwangsom gekoppeld. De voorzieningenrechter verwacht dat partijen de kwestie verder in goed overleg zullen kunnen afhandelen.

Conclusie

Deze uitspraak laat eens te meer zien dat men bij de uitleg van een overeenkomst niet enkel kan afgaan op de schriftelijke bewoordingen daarvan. Alle omstandigheden van het geval kunnen hierbij  van belang zijn. Heeft u naar aanleiding van dit blog vragen over de uitleg van uw overeenkomsten? Neem dan gerust contact met mij of één van mijn collega’s op. 

Deel deze pagina