De rol van de steunvordering bij de faillissementsaanvraag door een schuldeiser

De rol van de steunvordering bij de faillissementsaanvraag door een schuldeiser

Geplaatst op

De rol van de steunvordering bij de faillissementsaanvraag door een schuldeiser

Voorwaarde voor faillietverklaring is dat summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen. Uit vaste rechtspraak blijkt dat een noodzakelijke voorwaarde om deze toestand aan te nemen is, dat er sprake is van zogenaamde pluraliteit van schuldeisers. Dit betekent dat de aanvrager van het faillissement aannemelijk moet maken dat naast zijn vordering ook een vordering van ten minste één andere schuldeiser door de debiteur onbetaald gelaten wordt.

Het kan per rechter wezenlijk verschillen of en hoe het bestaan van een steunvordering onderbouwd moet worden. Dat geldt met name in de gevallen dat de schuldenaar niet op de zitting verschijnt om zich te verweren tegen de faillissementsaanvraag, waardoor de aangevoerde steunvordering niet betwist wordt. Bij gebrek aan betwisting zijn sommige rechters al snel bereid aan te nemen dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers en hoeft de aanvrager van het faillissement niet meer te doen dan te stellen dat er een bepaalde steunvordering aanwezig is. Andere rechters verlangen toch ook in die gevallen dat de aangevoerde steunvordering op enige wijze met bescheiden wordt onderbouwd. Die onderbouwing kan bijvoorbeeld bestaan uit het overleggen van een door een andere schuldeiser aan dezelfde schuldenaar gestuurde factuur. De rechtbank stelt in ieder geval nooit een diepgaand onderzoek in naar de vordering van de aanvrager of naar de aangevoerde steunvordering, omdat slechts summierlijk hoeft te blijken dat de debiteur in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen.

Een vordering hoeft aan weinig eisen te voldoen om als steunvordering gebruikt te kunnen worden. Zo blijkt uit de jurisprudentie dat aan het gebruik van de steunvordering niet in de weg staat dat:
-    de omvang van de steunvordering niet vast staat;
-    de steunvordering niet opeisbaar is;
-    de schuldeiser niet op betaling heeft aangedrongen;
-    er geen sprake is van een betalingsachterstand;
-    de schuldeiser het faillissement niet wenselijk vindt.
Deze omstandigheden kunnen wel in de weg staan aan het oordeel dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen. De enkele aanwezigheid van pluraliteit betekent namelijk niet altijd dat de schuldenaar is opgehouden te betalen.

Het kan in de praktijk lastig zijn om een steunvordering te vinden. Schuldeisers hebben meestal geen inzage in de crediteurenadministratie van hun schuldenaar. Bovendien kan een crediteur er belang bij hebben dat zijn schuldenaar juist niet failliet wordt verklaard, waardoor deze geen informatie zal willen verstrekken over een vordering die hij op de schuldenaar heeft. Veruit de meeste crediteuren worden in een faillissement van hun schuldenaar namelijk aangemerkt als zogenaamd concurrent schuldeiser. Concurrente schuldeisers zien zelden ook maar een cent van hun vordering voldaan. De twee grootste crediteuren van een niet betalende schuldenaar zijn vaak de Belastingdienst en de bank. De fiscus heeft er mogelijk meer belang bij gebruik te maken van haar ruime bevoegdheid tot het leggen van beslag onder de schuldenaar, dan informatie te verstrekken over de belastingschuld. De bank heeft vaak een hypotheekrecht waarop zij een beroep kan doen als haar schuldenaar niet betaald, waardoor zij geen belang heeft bij een faillissement.

Een schuldeiser die het faillissement van zijn schuldenaar wil aanvragen doet er gezien het daarvoor verschuldigde griffierecht goed aan op tijd een of meerdere steunvordering(en) te zoeken. De aanvrager van het faillissement kan de steunvordering op zijn laatst op de zitting aan de rechtbank overleggen. Mocht de rechtbank op de zitting indicaties geven dat zij het bestaan van pluraliteit van schuldeisers niet voldoende aannemelijk vindt, dan kan de aanvrager de rechtbank verzoeken de faillissementsaanvraag enkele weken (maximaal 8) aan te houden. Tot aan het moment van de volgende zitting kan de aanvrager dan op zoek gaan naar een manier om de aangevoerde steunvordering nader onderbouwen, of hij kan een andere steunvordering proberen te vinden. De rechter willigt een aanhoudingsverzoek echter niet altijd in.

De steunvordering kan ook al in het verzoekschrift tot faillietverklaring opgenomen worden. Wel dient de aanvrager rekening te houden met het volgende, met name wanneer het een steunvordering van geringe omvang betreft. Bij de toets naar de pluraliteit van schuldeisers wordt door de rechter gekeken naar de feiten en omstandigheden zoals die op het moment van de zitting zijn. Indien de verweerder weet dat een van zijn schulden als steunvordering wordt gebruikt omdat deze in de faillissementsaanvraag vermeld staat, kan hij die schuld afbetalen voordat de zitting plaatsvindt. De betreffende schuld is dan niet meer als steunvordering te gebruiken.

De aanvrager van het faillissement moet er bij de beroepsmogelijkheid die de verweerder tegen zijn faillietverklaring heeft, rekening mee houden dat het gerechtshof ook omstandigheden in aanmerking neemt die pas in hoger beroep zijn gebleken. Hoewel de verweerder zijn schulden na faillietverklaring niet meer kan voldoen, geldt dat niet voor buitenstaanders zoals familie of zakenpartners. Zij kunnen de schuld van de failliet die eerder succesvol voor de rechtbank aangevoerd werd als steunvordering nog steeds afbetalen. Indien het hof vervolgens oordeelt dat er geen sprake (meer) is van pluraliteit van schuldeisers, dan vernietigd zij de faillietverklaring met terugwerkende kracht. De schuldenaar wordt dan achteraf geacht nooit failliet te zijn geweest. De schuldeiser op wiens aanvraag de faillietverklaring werd uitgesproken is dan aansprakelijk voor de faillissementskosten die al gemaakt zijn, inclusief het salaris van de curator.
 

Deel deze pagina