De uiteenlopende jurisprudentie van de vier hoogste bestuursrechters geüniformeerd

De uiteenlopende jurisprudentie van de vier hoogste bestuursrechters geüniformeerd

Geplaatst op

Op 1 januari 2013 is het nieuwe artikel 8:10a geïntroduceerd in de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel maakt het mogelijk dat in een beperkt aantal zaken een zogenaamde “grote kamer” wordt ingesteld. In de grote kamer nemen plaats de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de presidenten van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, een lid van de Hoge Raad en een staatsraad van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voor het in leven roepen van de grote kamer bestaan drie argumenten. Ten eerste is de grote kamer in het belang van het bewaren van de rechtseenheid binnen een college. Een voorbeeld hiervan vormt de Afdeling die uit diverse kamers bestaat. Zo bestaat er binnen de Afdeling een kamer voor ruimtelijke ordening en bijvoorbeeld ook voor vreemdelingenzaken. Vaak doen de verschillende kamers uitspraak betreffende een en dezelfde kwestie die bij meerdere kamers speelt. Het is niet ondenkbaar dat de afzonderlijke kamers verschillend denken over bepaalde kwesties. Met het instellen van de grote kamer wordt gestreefd naar meer rechtseenheid binnen het college zelf.

De memorie van toelichting noemt als tweede belangrijk argument, voor het in het leven roepen van de grote kamer de wens om rechtseenheid te scheppen tussen de verschillende hoogste bestuursrechters. In de jurisprudentie van de Afdeling en de Centrale Raad van Beroep waren in het verleden meerdere punten aanwezig waarop uitspraken duidelijk verschilden. Een voorbeeld vormt de omvang van de bij de bestuursrechter gevoerde discussie, maar ook bijvoorbeeld de discussie betreffende de bevoegdheid van het bestuur om rechtens onaantastbare besluiten te herzien. Het belang van de grote kamer voor de rechtspraktijk is gezien de verschillen in opvatting op bepaalde punten van de hoogste bestuursrechters onmiskenbaar.

De derde argument voor het in leven roepen van de grote kamer is de mogelijkheid om richting de rechtspraktijk duidelijkheid te scheppen betreffende het onderscheid tussen de uitspraken die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling en de “gewone” uitspraken. In de praktijk was het namelijk niet altijd duidelijk of een bepaalde uitspraak, die afweek van de eerdere uitspraken, een nieuwe koers aangaf of louter een gevolg was van de bijzonderheden van het voorliggende geval.  De keuze om een zaak aan de grote kamer voor te leggen wordt door de wetgever overgelaten aan de betrokken colleges. Het mag echter duidelijk zijn dat in de praktijk betrekkelijk weinig zaken aan de grote kamer zullen worden voorgelegd. Dit heeft voornamelijk te maken met het buitengewone karakter van de grote kamer.

Inmiddels is de eerste uitspraak van de grote kamer een feit geworden. De grote kamer heeft zich op 29 januari 2014 (201302106/1/A2) uitgelaten over de vraag betreffende de redelijkheid van de duur van een bestuursrechtelijke procedure in het kader van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In de praktijk is daarmee gebleken van het belang van de grote kamer voor de rechtseenheid. Daar waar de Afdeling en het College van Beroep voor het bedrijfsleven een termijn van vijf jaar steeds redelijk heeft geacht, werd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad een termijn van vier jaar als redelijk gehanteerd. Met de uitspraak van de grote kamer is er een einde gekomen aan deze discrepantie nu de redelijke termijn van vier jaar uniform in het bestuursrecht is gaan gelden.

De bestuursrechtelijke rechtspraktijk kijkt met belangstelling uit naar de volgende uitspraak van de grote kamer.

Deel deze pagina