Hoge Raad: grond die door verjaring is verkregen kan door de voormalig eigenaar worden teruggevorderd

Hoge Raad: grond die door verjaring is verkregen kan door de voormalig eigenaar worden teruggevorderd

Geplaatst op

Feiten

De heer en mevrouw X zijn sinds 23 februari 1973 eigenaar van een perceel in de gemeente Drunen. Achter het perceel van de heer en mevrouw X  is een bosperceel gelegen, dat volgens de kadastrale gegevens in eigendom toebehoort aan de gemeente. 

De heer en mevrouw X hebben rond 1974 een deel van het bosperceel (ter grootte van ruim 400 m2) achter hun perceel omheind. De door hen geplaatste afrastering is ongeveer 1,40 meter hoog en bestaat uit aluminium staanders met geplastificeerd gaas, met daarin een opening met een afsluitbaar hek. Vanuit het bosperceel, is de door hen omheinde deel van het bosperceel, alleen bereikbaar via een afsluitbaar poortje. De heer en mevrouw X hebben het deel van het bosperceel onderhouden, daarop twee boshutten gebouwd, alsmede een deel van een jeu de boulesbaan en een houtopslagplaats aangelegd.

Bij brief van 8 januari 2003, verzonden op 13 januari 2003, heeft de gemeente aan [betrokkene] onder meer het volgende geschreven: “De gemeente gaat werkzaamheden uitvoeren (…) op de stroken grond langs de Heidijk. Daarbij dient ook beschikt te worden over de stukken grond, die eigendom van de gemeente zijn, maar bij u in gebruik. In verband hiermee zeggen wij u hierbij en thans de overeenkomst tot gebruik van het stuk gemeentegrond, grenzend aan uw perceel, op, en wel met ingang van 1 april 2003.” Bij deze brief is een kaartje met datum 20 december 2002 gevoegd, waarop het deel van het bosperceel is gearceerd en voorzien van de opmerking “illegaal gebruik gemeentegrond”.

Procedure

In deze procedure vorderen de heer en mevrouw X voor recht te verklaren dat zij het deel van het bosperceel door verjaring in eigendom hebben verkregen en de gemeente te veroordelen medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging daarvan. Zij leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat zij vanaf 1974 bezitters van het deel van het bosperceel zijn geweest en aldus de eigendom daarvan verkregen hebben. 

De gemeente bestrijdt de vordering en vordert ontruiming van het deel van het bosperceel en een verbod dat nog te gebruiken of te betreden.

De rechtbank heeft, na een plaatsopneming, de vorderingen van de heer en mevrouw X afgewezen en die van de gemeente toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de heer en mevrouw X toegewezen, met afwijzing van die van de gemeente.

Hoge Raad

Bij de beoordeling stelt de Hoge Raad dat uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad het volgende geldt. De verjaringstermijn van een rechtsvordering die strekt tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende vangt aan op de dag nadat de niet-rechthebbende bezitter is geworden. De vraag of iemand bezitter is, moet worden beantwoord naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wet en de uiterlijke feiten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bezit ook ‘openbaar’ en ‘niet dubbelzinnig’ moet zijn. ‘Niet dubbelzinnig bezit’ is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. 

In een geval als deze gaat aan het bezit van de niet-rechthebbende inbezitneming vooraf. Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend. Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van  de oorspronkelijke bezitter wordt teniet gedaan. Volgens de Hoge Raad  is niet vereist dat de gemeente daadwerkelijk kennis heeft gedragen van de bezitsdaden van de heer en mevrouw X waardoor haar bezit is teniet gegaan. Voldoende is dat één en ander naar buiten toe
– en dus ook voor de gemeente – kenbaar was. Daaraan doet niet af dat de gemeente van die bezitsdaden niet, dan na onderzoek, op de hoogte kon raken, hoezeer het ook voor de gemeente via moeilijk begaanbare percelen bezwarend kan zijn deze periodiek op bezitsinbreuken te controleren.

De Hoge Raad stelt daarmee de heer en mevrouw X in het gelijk.

Maar dan komt de Hoge Raad tot een verrassende wending. Dat de vordering van de heer en mevrouw X is toegewezen en die van de gemeente is afgewezen, is het gevolg van de keuze van de wetgever een beroep op eigendomsverkrijging niet te ontzeggen aan de partij die te kwader trouw de zaak in bezit heeft genomen. Die keuze van de wetgever laat volgens de Hoge Raad onverlet dat deze partij bloot kan staan aan een vordering uit een onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren.

Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig. Dat brengt mee dat deze laatste kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt. In een dergelijk geval ligt het voor de hand dat de rechter de bezitter veroordeelt bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de benadeelde terug in eigendom over te dragen.

In het kort, indien iemand door verjaring eigenaar wordt van grond, kan hij toch gehouden zijn de grond weer terug te leveren aan de voormalig eigenaar. Pas als vijf jaar na het moment dat de voormalig eigenaar bekend is met zijn eigendomsverlies en met de daarvoor aansprakelijke persoon, of als twintig jaar na het eigendomsverlies, zijn verstreken, is degene die de grond heeft ‘ingepikt’ voldoende zeker van zijn eigendomsrecht op de ingepikte grond. Tot dat moment kan de voormalig eigenaar de grond terugvorderen.

 

Deel deze pagina