Ik ben veroordeeld: wat nu?!

Ik ben veroordeeld: wat nu?!

Geplaatst op



Een partij die door de rechter is veroordeeld (tot bijvoorbeeld het betalen van een schadevergoeding) gaat vaak in hoger beroep om deze veroordeling aan te vechten. Als het veroordelende vonnis door de rechter “uitvoerbaar bij voorraad” is verklaard, is het van belang om goed te beseffen dat de wederpartij gerechtigd is om tijdens het hoger beroep de toegewezen vordering alvast te innen. Uitvoerbaar bij voorraad betekent namelijk dat een vonnis ten uitvoer mag worden gebracht, zelfs als de mogelijkheid bestaat dat de procedure in hoger beroep een andere uitkomst zal hebben.

Onder bepaalde omstandigheden kan aan de rechter gevraagd worden om de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te schorsen. Eén van de mogelijkheden die de veroordeelde ter hand staat is het voeren van een executie kort geding.

Het executie kort geding
In artikel 438 Rv is bepaald dat de rechtbank bevoegd is om te oordelen over geschillen die in verband met de executie rijzen. Een Voorzieningenrechter heeft in kort geding ondermeer de bevoegdheid om de executie voor bepaalde tijd of totdat in hoger beroep op het geschil zal zijn beslist te schorsen, dan wel te bepalen dat executie slechts tegen zekerheidstelling mag plaatsvinden of mag worden voortgezet.

Het arrest Ritzen/Hoekstra van de Hoge Raad is het standaardarrest over de vraag wanneer in kort geding de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis kan worden geschorst (zie HR 22 april 1983, NJ 1984, 145). In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter de executie alleen mag staken als hij van oordeel is dat de executant, gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om, in afwachting van de uitslag van het hoger beroep, tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging van het vonnis op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor de tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Deze toetsingsmaatstaf is nadien bij de beoordeling van dergelijke gevallen in de lagere rechtspraak telkens tot uitgangspunt genomen. Op 23 september 2014 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opnieuw bevestigd dat het toetsingskader uit Ritzen/Hoekstra ook vandaag de dag nog onverminderd relevant is (zie ECLI:NL:GHARL:2014:7346).

Het gerechtshof oordeelde dat voorop staat dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in beginsel geëxecuteerd mag worden, ondanks een daartegen ingesteld hoger beroep. Volgens het gerechtshof komt het bij die bevoegdheid aan op de vraag of het belang aan de zijde van de wederpartij zodanig zwaarder weegt dat de executant misbruik maakt van zijn bevoegdheid indien hij tot tenuitvoerlegging overgaat. Dat wil zeggen dat de tenuitvoerlegging kan worden geschorst indien de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal onder andere het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor de directe tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Het moge duidelijk zijn dat dit een directe verwijzing naar de Ritzen/Hoekstra-maatstaf van de Hoge Raad is.

Nuancering toetsingsmaatstaf bij verstekvonnis
Slechts onder bijzondere omstandigheden wordt de Ritzen/Hoekstra-maatstaf genuanceerd. Zeer recentelijk heeft de Voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant dit gedaan in het geval van een verstekvonnis in eerste aanleg (zie ECLI:NL:RBOBR:2014:6524). De Voorzieningenrechter wees er daarbij uitdrukkelijk op dat de Ritzen/Hoekstra-maatstaf door de Hoge Raad voor het eerst is geformuleerd in een zaak waarin het uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis tot stand is gekomen na partijdebat en na een afweging door de rechter van de standpunten van partijen en dat deze maatstaf de lat voor dergelijke gevallen (terecht) hoog legt. In geval van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis laat deze maatstaf volgens de Voorzieningenrechter echter ruimte voor nuancering, omdat een dergelijk vonnis is gewezen zonder partijdebat en zonder een zorgvuldige afweging van de standpunten van partijen. Dat geldt met name indien de veroordeelde gemotiveerd stelt dat en waarom het vonnis in de verzetprocedure geen stand zal houden in verband met feiten en omstandigheden waarmee in dat vonnis geen rekening is gehouden, omdat deze niet ter kennis van de rechter waren gebracht.

Omdat in deze procedure de bij verstek veroordeelde partij aan de Voorzieningenrechter feiten kon voorleggen die een voor hem gunstige uitkomst van de verzetprocedure aannemelijk maakten, is de Voorzieningenrechter dan ook overgegaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. De strenge Ritzen/Hoekstra-maatstaf hoeft dus niet altijd het einde te betekenen!

Heeft u naar aanleiding van deze blog vragen over wat u kunt ondernemen tegen een vonnis waarin u bent veroordeeld of heeft u andere vragen over het procesrecht? Neem dan gerust contact met ons op. Onze advocaten staan u graag te woord en helpen u waar mogelijk verder.
 

Deel deze pagina