Meer duidelijkheid over de abstracte bankgarantie

Meer duidelijkheid over de abstracte bankgarantie

Geplaatst op

De kans is groot dat u te maken hebt (gehad) met een bankgarantie. In het zakelijk verkeer wordt veel gebruik gemaakt van bankgaranties. Een bankgarantie geeft betalingszekerheid, zoals bij koop, bij uitstel van betaling of in plaats van een aanbetaling. Het kan zijn dat u een bankgarantie hebt verstrekt aan uw zakenrelaties. Het kan zijn dat u uw klanten hebt gevraagd om een bankgarantie te stellen. Ook in het niet zakelijke verkeer kunt u in aanraking komen met een bankgarantie, bijvoorbeeld bij de koop van een woning of bij het aangaan van een huurovereenkomst. De bankgarantie speelt verder een rol bij conservatoir beslag. Met het stellen van een (deugdelijke) bankgarantie, krijgt u een conservatoir beslag van tafel. Een bankgarantie geeft namelijk voldoende zekerheid voor betaling. Een conservatoir beslag is dan niet meer nodig.
De kans dat u weet wat een bankgarantie precies inhoudt, is kleiner. De bankgarantie wordt in de wet niet omschreven. Om welke juridische figuur het gaat moet steeds door uitleg worden vastgesteld. Het mag dan ook niet verbazen dat wanneer een bankgarantie is gesteld, niet altijd even duidelijk is wanneer wel en wanneer niet tot betaling moet worden overgegaan. De Hoge Raad heeft op 13 maart 2015 een arrest gewezen, waarin wat meer duidelijkheid wordt verschaft (HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:600): reden om een nadere blik op dit arrest te werpen. Eerst zal ik u wat achtergronden over de bankgarantie schetsen.

De (abstracte) bankgarantie
Meestal zijn bij een bankgarantie drie partijen betrokken, te weten de partijen die een overeenkomst hebben gesloten waarbij zij over en weer verplichtingen zijn aangegaan - en partijen dus over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn - en de bank. Stel, u verkoopt producten die nog moeten worden gemaakt. Het gaat om een substantieel bedrag. Bij de betalingverplichting bent u de schuldeiser en is de koper de schuldenaar, terwijl u bij de leveringsverplichting de schuldenaar bent en de koper de schuldeiser is. Gelet op de hoge kosten die u moet maken voor de fabricage van deze producten, wilt u zekerheid dat de koper bij de levering ook betaalt. De koper kan dan de bank opdracht geven om voor zijn rekening en risico ten behoeve van u (de begunstigde) een bankgarantie te stellen. De bank zal dat doen wanneer zij de koper voldoende kredietwaardig vindt. De bank brengt de koper daar wel kosten voor in rekening. De hoogte van de kosten is afhankelijk van het risico en het bedrag van de bankgarantie. Is de bankgarantie gesteld en is aan de in de bankgarantie opgenomen voorwaarden voldaan, dan hebt u als begunstigde het recht om bij de bank betaling onder de bankgarantie te claimen. De bank zal u dan moeten betalen.

De meest voorkomende vorm van bankgarantie is de abstracte ofwel onafhankelijke bankgarantie. Kenmerkend voor de abstracte bankgarantie is, dat de bank de begunstigde op zijn verzoek moet betalen als aan de voorwaarden in de bankgarantie is voldaan, ook als de opdrachtgever het met die betaling niet eens is bijvoorbeeld omdat hij vindt dat de begunstigde in de nakoming van de overeenkomst tekort schiet. Bij de abstracte bankgarantie geldt als uitgangspunt: “eerst betalen, dan praten”. De bank beoordeelt de contractuele relatie tussen degene in wiens opdracht de bankgarantie is gesteld (de schuldenaar) en de begunstigde (de schuldeiser) niet. De contractspartijen zoeken dat later zelf maar uit.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad neemt de abstracte bankgarantie in het financieringsverkeer een belangrijke plaats in en moet daarom strikte toepassing worden gegeven aan de in de bankgarantie gestelde voorwaarden (dit wordt ook wel het beginsel van strikte conformiteit genoemd). Daarop kan alleen een uitzondering worden gemaakt op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in geval van bedrog of willekeur van de begunstigde of van de opdrachtgever (Hoge Raad 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2778).

Het arrest van 13 maart 2015
Op 13 maart 2015 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarbij een abstracte bankgarantie inzet van het geschil vormde. In de procedure was geen sprake van een driepartijenverhouding (opdrachtgever/schuldenaar, begunstigde/schuldeiser en bank), maar van een vierpartijenverhouding. De begunstigde in deze zaak is namelijk niet de schuldeiser, maar de bank die de schuldeiser heeft gefinancierd. De casus is als volgt.

Amstelpark heeft met Giebros een overeenkomst van aanneming gesloten voor de levering en plaatsing van elektrische installaties voor een bedrag van € 1.265.000,00. Amstelpark heeft 10% van de aanneemsom bij het sluiten van de overeenkomst betaald en hoefde de resterende 90% van de aanneemsom pas bij de oplevering te betalen. Giebros heeft gezorgd voor een voorfinanciering van ABN AMRO om de aan de uitvoering van de overeenkomst verbonden kosten te kunnen dragen. Tot zekerheid van betaling van die 90% (€ 1.138.500,00) heeft Amstelpark door Rabobank een bankgarantie doen stellen ten gunste van ABN AMRO. Zie hier de vierpartijenverhouding: de bankgarantie is gesteld door Rabobank ten behoeve van Giebros in opdracht van Amstelpark, waarbij ABN AMRO de begunstigde is. De bankgarantie strekt er nog steeds toe zekerheid te verschaffen voor de betalingsverplichtingen van Amstelpark ten opzichte van Giebros die voortvloeien uit de tussen deze twee partijen gesloten overeenkomst van aanneming.

In de door Rabobank gestelde bankgarantie is de voorwaarde opgenomen dat de betalingsafroep voorzien dient te zijn van een door Giebros of ABN AMRO ondertekende verklaring, inhoudende dat Amstelpark haar betalingsverplichtingen niet is nagekomen en het bedrag dat zij is verschuldigd. Wanneer ABN AMRO bij Rabobank om uitbetaling onder de bankgarantie vraagt, weigert Rabobank dat met als reden dat volgens haar opdrachtgever Amstelpark de hoogte van het factuurbedrag evident onjuist is; de verklaring van Giebros dat Amstelpark haar betalingsverplichting ten opzichte van Giebros niet is nagekomen, is volgens Amstelpark in strijd met de waarheid. Een paar maanden later gaat Giebros failliet.

Tussen Amstelpark en Rabobank aan de ene kant en ABN AMRO en Giebros aan de andere kant worden procedures gevoerd, eerst bij de rechtbank Dordrecht en later bij het gerechtshof Den Haag, zij het dat Giebros en haar curator in hoger beroep niet zijn verschenen. Bij de rechter ligt de vraag ter beantwoording voor of Rabobank gerechtigd was om betaling aan ABN AMRO op grond van de bankgarantie te weigeren.

Het gerechtshof komt op basis van de tekst van de bankgarantie tot de conclusie dat de bankgarantie geen zelfstandig karakter heeft ten opzichte van de rechtsverhouding tussen Giebros en Amstelpark. Dit vanwege de voorwaarde dat de afroep vergezeld moet gaan van de verklaring dat Amstelpark haar betalingsverplichting niet is nagekomen. Het gerechtshof leidt daar uit af dat de verklaring waarheidsgetrouw moet zijn en dat de aanspraak die ABN AMRO aan de bankgarantie kon ontlenen niet groter kon zijn dan het bedrag waarop Giebros ten opzichte van Amstelpark aanspraak had.

De Hoge Raad is het niet eens met dit oordeel van het gerechtshof en is het ook niet eens met het oordeel van het gerechtshof dat het ook voor ABN AMRO de kenbare bedoeling was dat er slechts recht op uitbetaling onder de bankgarantie bestond als Giebros een reden had om te verklaren dat Amstelpark haar betalingsverplichting niet was nagekomen.

De Hoge Raad beklemtoont ook in dit arrest het zelfstandig karakter van de abstracte bankgarantie, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bank de begunstigde op eerste verzoek moet betalen ongeacht de onderliggende contractuele relatie, tenzij sprake is van bedrog of willekeur van de begunstigde of van degene in wiens opdracht de bankgarantie is gesteld. De Hoge Raad hanteert in dit arrest voor de betalingsverplichting van de bank die de bankgarantie heeft verstrekt in de vierpartijenverhouding geen ander criterium dan in de gebruikelijke driepartijenverhouding. Vanwege de uitzondering op de hoofdregel, is het aan de andere kant ook weer niet zo dat (derdebegunstigde) ABN AMRO per definitie geheel buiten onderliggende contractuele staat, op welk standpunt ABN AMRO zich had gesteld.

ABN AMRO klaagt tegen het oordeel van het gerechtshof dat Rabobank betaling mocht weigeren, ook indien ABN AMRO niet wist dat de verklaring van Giebros frauduleus was. Deze klacht faalt, aldus de Hoge Raad. Voor het weigeren van uitbetaling aan de derdebegunstigde is niet vereist dat deze derde wetenschap moet hebben gehad van het feit dat sprake is van een frauduleus gedaan verzoek om uitbetaling onder de bankgarantie. Wanneer bijvoorbeeld sprake is van bedrog of willekeur van degene in wiens opdracht de bankgarantie is gesteld, mag de bank uitbetaling onder de bankgarantie weigeren ook al heeft de derdebegunstigde geen weet van dat bedrog of die willekeur.

Van belang voorts is dat de Hoge Raad overweegt dat de bank die betaling onder de bankgarantie in geval van bedrog of willekeur mag weigeren, deze weigering wel onverwijld (zonder vertraging) moet meedelen en met voldoende duidelijke redenen die een beroep op bedrog of willekeur kunnen dragen. De door Rabobank aangedragen reden dat volgens haar opdrachtgever de hoogte van de gestelde factuur apert onjuist zou zijn, is volgens de Hoge Raad onvoldoende gespecificeerd omdat daar nog niet uit blijkt dat sprake is van bedrog of willekeur.

Conclusie
Het arrest maakt het volgende duidelijk. Het beginsel van strikte conformiteit is hoofdregel bij de abstracte bankgarantie en dit is alleen anders in geval van bedrog of willekeur van de opdrachtgever of de begunstigde. De positie van een derdebegunstigde is wat dat betreft niet anders dan de positie van een begunstigde die in de contractuele relatie de schuldeiser is. Het arrest maakt verder duidelijk dat de bank in geval van bedrog of willekeur betaling mag weigeren ook al heeft de derdebegunstigde daar geen weet van. Wel moet de bank die weigert te betalen voldoende gespecificeerd en onverwijld inzicht geven in de gronden voor haar weigering en de redenen voor de weigering moeten een beroep op bedrog of willekeur kunnen dragen.

Deel deze pagina