Nederlandse CAO voor werknemers buitenlandse dochtermaatschappijen transportbedrijf

Nederlandse CAO voor werknemers buitenlandse dochtermaatschappijen transportbedrijf

Hof Arnhem-Leeuwarden: Nederlands transportbedrijf moet werknemers van buitenlandse dochtermaatschappijen conform de CAO beroepsgoederenvervoer betalen.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft recent bevestigd dat wanneer er sprake is van een dusdanige band tussen de Nederlandse opdrachtgever en de werknemers van de buitenlandse opdrachtnemer de (veel duurdere) Nederlandse CAO ook op deze werknemers van toepassing is.

In het door Brinkman Trans Holland ingestelde hoger beroep tegen het FNV ging het om chauffeurs die in dienst waren bij transportbedrijven van Brinkman in Polen en Moldavië. Centrale vraag hierbij was of de door Brinkman uitbestede transporten onder de charterbepaling van art. 73 van de CAO voor het beroepsgoederen vervoer vallen, zoals het FNV in eerste aanleg met succes had aangevoerd.

Het lastig te lezen art. 73 (leden 1 en 2) van de CAO luidt als volgt: 

  1. De werkgever is gehouden in overeenkomsten van onder-aanneming, die in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van werkgever worden uitgevoerd, met zelfstandige ondernemers, die als werkgever optreden, te bedingen dat aan diens werknemers de basisarbeidsvoorwaarden van deze cao zullen worden toegekend, wanneer dat voortvloeit uit de detacheringsrichtlijn, ook indien gekozen is voor het recht van een ander land dan Nederland.
  2. De werkgever is gehouden de in lid 1 van dit artikel genoemde werknemers te informeren over de op hen van toepassing zijnde basisarbeidsvoorwaarden.

Volgens Brinkman was deze bepaling uit de CAO niet van toepassing omdat de werknemers in dienst waren van zelfstandig opererende buiten Nederland gevestigde ondernemingen en het vervoer hoofdzakelijk buiten Nederland werd verricht.

Het FNV stelde hier tegenover dat de werknemers weliswaar formeel in dienst waren bij de buitenlandse dochterondernemingen maar de verhouding tussen Brinkman Trans Holland en deze bedrijven zodanig was dat de werknemers van deze bedrijven feitelijk ter beschikking stonden voor de Nederlandse opdrachtgever.

Alles afwegende komt het Hof tot de conclusie dat Brinkman Nederland aan de charterbepaling moet voldoen. Volgens het Hof is er sprake van een zodanig nauwe band tussen de Nederlandse opdrachtgever en de buitenlandse opdrachtnemers dat de buitenlandse chauffeurs op het Nederlandse grondgebied ter beschikking worden gesteld aan de Nederlandse opdrachtgever. Dat het feitelijke vervoer daarbij grotendeels in het buitenland werd uitgevoerd doet daar volgens het Hof in dit geval niet aan af.

Op grond van deze uitspraak is Brinkman Nederland verplicht ervoor te zorgen dat de chauffeurs die bij Brinkman Moldavië en Brinkman Polen in dienst zijn en voor Brinkman Nederland werken worden betaald conform de CAO beroepsgoederenvervoer.

Conclusie

Met enige regelmaat wordt de Nederlandse rechter gevraagd een uitspraak te doen over de arbeidsvoorwaarden van chauffeurs die in dienst van buitenlandse opdrachtnemers als   (charter) voor Nederlandse transportbedrijven werken. 

De uitspraak van het Hof bevestigt dat het antwoord op deze vraag sterk afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden en interne verhoudingen tussen de Nederlandse opdrachtgever en de buitenlandse opdrachtnemer waarbij de werknemers in dienst zijn.

Deel deze pagina