Pandrecht op zaak met eigendomsvoorbehoud

Pandrecht op zaak met eigendomsvoorbehoud

Geplaatst op

Kan een koper, die geleverd krijgt onder eigendomsvoorbehoud, het gekochte reeds aan zijn bank verpanden, voordat de koopsom geheel is betaald en daarmee het eigendomsvoorbehoud van de verkoper is vervallen? Dit is een belangrijke vraag voor de financieringspraktijk, want het object kan dan dekking bieden voor kredietverlening. Een arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR: 2016:1046) van de Hoge Raad is belangrijk nieuws.

De casus, die de Hoge Raad kreeg voorgeschoteld, maakt het belang direct duidelijk. Een paprikateler had zijn bank als zekerheid een pandrecht verstrekt op zijn huidige en toekomstige bedrijfsmiddelen. Dit laatste bracht met zich mee dat een bedrijfsmiddel automatisch aan de bank verpand was op het moment dat de teler daar eigenaar van werd. De paprikateler kocht voor € 600.000,-- een teeltsysteem.

De teler ging failliet en op dat moment stond er nog een bedrag van € 120.000,-- open bij de verkoper. De verkoper eiste daarom het teeltsysteem op bij de curator met een beroep op eigendomsvoorbehoud. De bank besloot daarop het uitstaande bedrag, wat met kosten inmiddels opgelopen was tot € 135.000,--, bij te financieren zodat de curator de verkoper kon afbetalen. De bank deed dat omdat het systeem voor € 245.000,-- kon worden verkocht. Het standpunt van de bank was dat met de afbetaling van de verkoper deze verkoopopbrengst integraal aan haar als pandhoudster toekwam. In het verleden waren door de teler immers de toekomstige bedrijfsmiddelen aan de bank verpand. Aldus zou de bank € 110.000,-- (verkoopopbrengst van € 245.000,-- minus restantbetaling van € 135.000,--) kunnen verdienen c.q. haar schade daarmee kunnen verminderen.

De curator vond het een prima idee dat de bank deze investering deed, maar vond op zijn beurt dat de overwaarde van € 110.000,-- aan de faillissementsboedel toekwam. Zijn standpunt was dat vanwege het eigendomsvoorbehoud de eigendom van het teeltsysteem bij de verkoper was blijven berusten en eerst met de restantbetaling na het faillissement werd verkregen. Omdat het bedrijf ondertussen failliet was gegaan kon er geen geldig pandrecht meer tot stand komen.

Beslissend voor deze discussie is het moment waarop de teler eigendomsrechten had gekregen op het teeltsysteem. Was dat al voorwaardelijk bij het aangaan van de koopovereenkomst voor het  faillissement, te weten onder de voorwaarde van betaling? In dat geval zou de bank gelijk hebben dat het teeltsysteem daarmee direct ook aan haar verpand was. Of zou pas na het faillissement met de laatste betaling de eigendom overgaan? In dat geval zou de curator terecht kunnen stellen dat er geen pandrecht meer tot stand kon zijn gekomen.

De juridische meningen hierover waren verdeeld. Sommigen meenden dat er bij koop onder eigendomsvoorbehoud sprake is van een aflopend eigendomsrecht van de verkoper (onder ontbindende voorwaarde van betaling door de afnemer) en een oplopend eigendomsrecht van de afnemer (onder opschortende voorwaarde van betaling). Anderen vonden dat het systematisch niet mogelijk zou kunnen zijn dat een verkoper en een koper tegelijk eigenaar zijn. De laatste visie, in het voordeel van de curator, werd door de rechtbank en in hoger beroep door het Hof gevolgd. Uiteindelijk besliste de Hoge Raad als de hoogste rechter in cassatie dat de eerste visie gevolgd moet worden.

Dit betekent dat bij een koop onder eigendomsvoorbehoud de koper gelijk een eigendomsrecht krijgt onder de opschortende voorwaarde van betaling. Dit voorwaardelijke eigendomsrecht kan onvoorwaardelijk aan de bank verpand worden. Met iedere deelbetaling stijgt de economische waarde hiervan. Met volledige betaling groeit het eigendomsrecht van de afnemer uit tot een onvoorwaardelijke en vervalt het eigendomsrecht van de verkoper definitief.

Het tweede punt dat de Hoge Raad beslechtte was het beroep van de curator op het verpandingsverbod in de algemene leveringsvoorwaarden van de verkoper. De Hoge Raad beslist principieel dat een verpandingsverbod alleen verpanding van vorderingen kan uitsluiten en niet van roerende zaken als machines. Ook dat is gunstig nieuws voor banken en andere financiers.

Met deze uitspraak kunnen pandhouders in voorkomend geval beslissen om de verkoper af te betalen om de (hogere) opbrengst naar zich toe te trekken. Voor curatoren betekent het dat zij rekening moeten houden met de belangen van pandhouders bij het afwikkelen van eigendomsvoorbehouden.

Deel deze pagina