Positie nabestaanden na ‘ouderenmishandeling’

Positie nabestaanden na ‘ouderenmishandeling’

Geplaatst op

Ouderenmishandeling, dat wil zeggen het misbuiken van de (ge)goedheid van (vermogende) personen op leeftijd, is een maatschappelijk probleem van toenemende omvang. Middels verschillende radio- en televisiespots probeert de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dit probleem sinds enige tijd onder de aandacht te brengen en het in omvang terug te dringen. Het hiervoor genoemde misbruik doet zich in verschillende vormen voor. Zo kan het zo zijn dat er een wijziging van het testament plaatsvindt, waarbij de dader als enig erfgenaam wordt benoemd, maar ook dat een verre neef uit het niets dagelijks zijn oudoom komt bezoeken en verzorgen, die op de besloten afdelingen van een verpleegtehuis is opgenomen, om vervolgens samen met de niets vermoedende oudere van dagen de bloemetjes buiten te zetten en zijn vermogen er, ten behoeve van deze verre neef, volledig doorheen te draaien. Het aanschaffen van nieuwe auto’s, het verbouwen van zijn woning en het aanleggen van een nieuwe tuin, volledig verzorgde vakanties naar exotische oorden waar oudoom zelf helaas niet bij kan zijn gezien zijn gezondheidstoestand, niets gaat de verre neef te ver. Alle uitgaven hebben uiteraard plaatsgevonden op verzoek van, en op initiatief van, de gegoede oudoom. Vaak komt dergelijke mishandeling van ouderen pas aan het licht op het moment dat de nabestaande inzicht krijgen in de financiën. Dit is doorgaans na het overlijden van het slachtoffer. Ook dan zijn er echter nog mogelijkheden voor de nabestaanden om actie jegens de bevoordeelde te ondernemen.

Wanneer een erfgenaam wenst dat een testament wordt vernietigd, of de uitgegeven gelden dienen te worden terugbetaald, zal hij moeten aantonen dat de overledenen wilsonbekwaam was ten tijde van het maken van het testament, respectievelijk het te gelde maken van zijn vermogen. Dat wil zeggen dat hij moet aantonen dat het geestesvermogen van de erflater dusdanig verstoord is geweest, dat hij niet (meer) in staat is geweest zijn eigen wil te bepalen zoals bedoeld in artikel 3:33 jo. 3:34 BW. Het bepalen van deze wil is van belang omdat voor het rechtsgeldig tot stand komen van een rechtshandeling sprake moet zijn van een aanbod en een aanvaarding. Voor een aanbod dan wel een aanvaarding moet er sprake zijn van een wil en een daarmee overeenkomende wilsverklaring. Wanneer iemand niet in staat is zijn eigen wil te bepalen kan gezien het voorgaande geen sprake zijn van aanbod/aanvaarding en kan derhalve geen rechtsgeldige rechtshandeling tot stand komen.

Het aantonen van de wils(on)bekwaamheid van een erflater is niet eenvoudig. Informatie over de geestesgesteldheid is namelijk veelal medische informatie, en medisch informatie is (in beginsel) geheim op grond van artikel 7:457 BW. Daarin is, kort samengevat, bepaald dat een hulpverlener zonder toestemming van de patiënt geen inlichtingen over deze patiënt verstrekt aan derden. Hoewel de wetgever geen regeling heeft getroffen aangaande het verstrekken van inlichtingen na het overlijden van een patiënt, wordt er in het algemeen aangenomen dat het beroepsgeheim in de zin van artikel 7:457 BW ook na de dood geldt. Dit beroepsgeheim is echter niet absoluut en kan onder omstandigheden worden doorbroken (Hoge Raad 20 april 2001, NJ 2001/600).

Doorbreken van de geheimhoudingsverplichting is als eerste aan de orde in het geval van (veronderstelde) toestemming van de overledene. Daarbij zei nog opgemerkt dat toestemming die reeds is gegeven ten tijde van leven, doorwerkt na het overlijden. Daarnaast is een inbreuk op de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd indien er zwaarwegende belangen geschaad worden indien de geheimhouding wordt gehandhaafd (Rechtbank Oost-Nederland 28 maart 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ6271). Deze zwaarwegende belangen kunnen dus een uitkomst bieden in het geval dat de veronderstelde toestemming geen soelaas biedt. Zwaarwegende belangen kunnen zowel zien op de gezondheid van de nabestaanden, alsook op belangen van financiële aard. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde bij een uitkering aan nabestaanden door een verzekering, gebruik van gegevens in een aansprakelijkheidsprocedure of, zoals in de hier besproken situatie het geval is, het gebruik van de gegevens om de geldigheid van een rechtshandeling aan te vechten omdat de overleden wilsonbekwaam was op het moment dat hij de rechtshandeling heeft uitgevoerd. In het laatst genoemde geval moeten er bovendien 1.) zwaarwegende aanwijzingen zijn dat de erflater niet over zijn verstandelijke vermogens beschikte en er dus inderdaad sprake is geweest van wils- of handelingsonbekwaamheid, 2.) dat het aannemelijk is dat het medisch dossier hierover nadere opheldering kan verschaffen en 3.) dat deze opheldering bovendien nog op een andere wijzen dan door middel van doorbreking van de geheimhoudingsplicht kan worden verkregen.

Illustratief is een recent arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin uitspraak is gedaan over de situatie waarin een erflater die al meer dan een halve eeuw samen was met zijn echtgenote, een jaar voor zijn overlijden zijn testament wijzigde met als gevolg dat zijn vermogen van ruim 26 miljoen euro werd nagelaten aan twee charitatieve instellingen (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2013, ECLI:GHARL:2014:8078). Zijn weduwe was, voor zover als dat mogelijk is op basis van de Nederlandse wetgeving, ‘onterfd’. De weduwe kon zich hiermee niet verenigen en is een procedure gestart. De notaris die de wijziging van het testament heeft doorgevoerd heeft, voorafgaand aan de wijzing van het testament, het geestesvermogen van de erflater laten onderzoeken door een psychiater. Deze psychiater heeft destijds een schriftelijke verklaring afgegeven, inhoudende dat de betrokkene wilsbekwaam is zijn testament te wijzigen en in staat is de emotionele gevolgen van deze wijziging te overzien. De weduwe stelt echter dat haar wijlen echtgenoot onder behandeling stond vanwege vasculaire dementie en wenst dat voornoemde psychiater het medisch dossier afgeeft. De psychiater heeft zich beroepen op zijn beroepsgeheim, hetgeen door de voorzieningenrechter in eerste aanleg is gehonoreerd. Het hof heeft echter geoordeeld dat het beroepsgeheim in onderhavige kwestie doorbroken mocht worden wegens een zwaarwegend (financieel) belang van de weduwe.

Wanneer kan worden vastgesteld dat het medisch beroepsgeheim in een specifiek geval dient te worden doorbroken, is het nog niet per definitie zo dat de benadeelde nabestaanden in het gelijk worden gesteld. Op grond van artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten de stelplicht, en in geval van gemotiveerde betwisting de bewijslast, van deze feiten. In dit kader zal door de benadeelde nabestaanden gesteld, en in geval van een gemotiveerde betwisting bewezen, moeten worden dat er gezien de medische gegevens sprake is van wilsonbekwaamheid.

Deel deze pagina