Zo bevrijdend is de bevrijdende verjaring niet!

Zo bevrijdend is de bevrijdende verjaring niet!

Geplaatst op

Het huidige BW is ingevoerd op 1 januari 1992. Sinds deze datum is het mogelijk dat elke erfdienstbaarheid kan worden verkregen door verjaring (art. 5:72 BW). Voor het eerst op 1 januari 2012 konden er door bevrijdende verjaring erfdienstbaarheden ontstaan, na het verstrijken van de geldende verjaringstermijn van twintig jaar van artikel 3:105 BW.

Kort voor het verstrijken van de verjaringstermijn van twintig jaar werd er vanuit meerdere hoeken voor gewaarschuwd dat er op 1 januari 2012 (massaal) erfdienstbaarheden zouden ontstaan in Nederland. Slechts door stuiting, waardoor de verjaringstermijn opnieuw begint te lopen, zou het ontstaan van de erfdienstbaarheden kunnen worden voorkomen.

“Mooi, ik maak al twintig jaar gebruik van het pad door de tuin van mijn buurman en de verjaringstermijn is niet gestuit. Er is dus een erfdienstbaarheid ontstaan.”, zo moet na 1 januari 2012 meer dan eens zijn gedacht. Maar ligt dit wel zo eenvoudig?

Nu, ruim drie jaar na 1 januari 2012, kan worden geconcludeerd dat er regelmatig is geprocedeerd over de vraag of er door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan. In de gevoerde procedures loopt het nogal eens stuk op het bezitsvereiste, waarvan sprake moet zijn wil er door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid ontstaan kunnen zijn. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf; de feitelijke macht moet worden uitgeoefend. Het gaat hierbij niet om de interne wil om als bezitter op te treden, maar het komt aan op de uiterlijke omstandigheden, waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid.

De stelplicht en bewijslast van het onafgebroken bezit rusten op de partij die stelt dat er een erfdienstbaarheid is ontstaan. Veelal slaagt men niet in deze bewijslevering. Er wordt bijvoorbeeld wel aangetoond dat er al twintig jaar gebruik wordt gemaakt van het pad van de buurman, maar hiermee is er nog geen sprake van bezit. Naar het oordeel van de rechter is er dan sprake van houderschap. Degene die een goed voor een ander houdt, kan niet de rechtgevolgen inroepen die de wet aan bezit verbindt. Als het bezit niet is aangetoond, is de verjaringstermijn niet gaan lopen en is het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring niet aan de orde.

Gaat u er niet zomaar van uit dat er een erfdienstbaarheid is ontstaan door (bevrijdende) verjaring. Het is zaak om dit goed uit te laten zoeken. U kunt hiertoe altijd terecht bij mij of een van mijn collega’s.

Deel deze pagina