Minder ‘gepingpong’ in het bestuursrecht

Minder ‘gepingpong’ in het bestuursrecht

02 mei 2013

Bestuursrecht: voor veel mensen een onbekend en/of stoffig rechtsgebied. Toch heeft iedereen er mee te maken. Of het nou om toestemming tot bouwen, een uitkering of een bestuurlijke boete gaat, het valt allemaal onder het bestuursrecht. De meeste juridische besluiten van (een onderdeel van) de overheid vallen namelijk onder het bestuursrecht. Eén van de grootste nadelen van de procedures in het bestuursrecht is, of eigenlijk was, de lange en uitgebreide procedures en het ‘gepingpong’ van rechter naar bestuursorgaan en andersom. De burger wist pas na lange tijd zeker of er bijvoorbeeld een schuur gebouwd mag worden. Inmiddels is er een wet in werking getreden die dit probleem moet voorkomen. Deze wet heeft echter ook andere wijzigingen meegebracht. In dit artikel zal hier nader op worden ingegaan. In de oude situatie was er sprake van pingpongen van de rechter naar het bestuursorgaan. Het was namelijk zo dat een burger na ontvangst van een besluit (bijvoorbeeld een afwijzing van het verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuur) eerst in bezwaar kon gaan bij een bestuursorgaan (bijvoorbeeld het college van burgemeesters en wethouders). Wanneer de beslissing op dit bezwaar weer afwijzend luidde, kon de burger in beroep gaan tegen het besluit bij de rechter, die het besluit kon vernietigen. De rechter kon het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen, waartegen dan weer bezwaar en beroep openstonden. Dit betekende dat je al snel enkele jaren verder was en na veel gepingpong van de rechter naar het bestuursorgaan nog steeds niet wist of je een schuur mocht bouwen. Op 1 januari  2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Deze wet past de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan. In de Awb staan alle hoofdregels van het bestuurs(proces)recht. Meerdere oorzaken maakten dat de Awb moest worden aangepast op meerdere punten. Eén onderdeel van deze aanpassing heeft de bevordering van definitieve geschilbeslechting tot doel. Dit betekent, kort gezegd, dat eerder duidelijkheid bestaat over de rechtspositie van de burger en minder of geen ‘gepingpong’. Twee nieuwe mogelijkheden van de rechter zullen nader worden toegelicht. Een nieuwe mogelijkheid die na 1 januari 2013 is ontstaan, is dat het bestuursorgaan gedurende de bezwaar- of beroepsprocedure het besluit kan wijzigen. Het bezwaar of beroep dat tegen het oude besluit is ingesteld, wordt ook opgevat alsnog gericht is tegen dat nieuwe besluit. Als het college van b&w bijvoorbeeld constateert dat in de weigering van een omgevingsvergunning een onderdeel ontbreekt, kan het een nieuw besluit nemen,  waarin het ontbrekende onderdeel is opgenomen. De burger hoeft dan geen apart bezwaar te maken tegen dit nieuwe besluit, maar het bezwaar dat hij al had gemaakt, wordt opgevat als ware het tegen het nieuwe besluit ingediend. Dit scheelt een hoop tijd, nu de burger niet steeds opnieuw bezwaar hoeft te maken en daardoor ook geen risico loopt het bezwaar- of beroepsschrift te laat in te dienen. Daarnaast wordt het geschil niet op één moment door meerdere organen beoordeeld, omdat na de aanpassing niet meer bezwaar tegen het nieuwe besluit en beroep tegen het oude besluit lopen, maar dit in één keer wordt behandeld bij de rechtbank. Daarnaast is er nog een nieuwe mogelijkheid voor de rechter ontstaan. De rechter kon in een procedure een schending van een vormvoorschrift al passeren, tenzij de belanghebbende hierdoor werd benadeeld. Dit betekent kort gezegd dat een gebrek in de procedure van totstandkomen van het besluit of de wijze waarop het besluit moet worden genomen of vastgelegd, door de rechter niet wordt meegenomen in zijn beoordeling. De mogelijkheid om dit gebrek te passeren zag dus niet op gebreken betreffende de inhoud van het besluit. Door de aanpassing die na 1 januari 2013 in werking is getreden, kan ook een inhoudelijk gebrek in het besluit worden gepasseerd, mits hierdoor niemand benadeeld wordt. Met andere woorden: als het bestuursorgaan een fout maakt in een besluit, maar de belanghebbende ondervindt hiervan geen nadeel, kan de rechter deze fout passeren. Hij hoeft dus niet het besluit te vernietigen vanwege een fout die er niet toe doet en kan over de rest van het besluit een oordeel geven. Er hoeft dan er niet eerst een nieuw besluit genomen te worden. Tot zover twee mogelijkheden ten behoeve van de snelheid en efficiëntie van bestuursrechtelijke procedures. Een hele andere wijziging van het bestuursprocesrecht, die negatief kan uitwerken voor de burger, is de definitieve invoering van het relativiteitsbeginsel. Deze invoering heeft tot gevolg, dat de rechter het (hoger) beroep moet vernietigen als de geschonden rechtsnorm evident niet strekt tot bescherming van degene die zich erop beroept. Dat betekent simpel gezegd, dat je je niet op een regel kunt beroepen als de regel niet voor jou geschreven is. Een voorbeeld hiervan is de situatie omtrent de geluidsnormen die op basis van de Geluidshinderwet zijn vastgesteld en tot doel hebben bewoners van nieuwe woningen te beschermen tegen geluidshinder. Een buurman die in een reeds bestaande woning woont, kan niet opkomen tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning op basis van het onjuist toepassen van de regel over de geluidshinder; deze is immers geschreven om de bewoners van de nieuwe woning te beschermen en niet om de buurman te beschermen. Dit beginsel gold al enige jaren voor bepaalde besluiten, maar is met de aanpassing van de Awb geldig voor alle besluiten die door bestuursorganen worden genomen. Dit relativiteitsbeginsel beperkt dus de mogelijkheden om tegen een besluit op te komen. Kon je vroeger ‘schieten’ op alles wat aan een besluit niet klopte om je eigen doel te behalen (bijvoorbeeld een bouwvergunning tegenhouden), nu kun je dat alleen als de geschonden regel jouw belang beschermt. Wanneer je zelf echter bijvoorbeeld een omgevingsvergunning aanvraagt, kan het relativiteitsbeginsel je veel duidelijkheid geven, omdat, wanneer je buurman lukraak (terechte)  gronden tegen je omgevingsvergunning inbrengt, dit geen vernietiging van je vergunning tot gevolg hoeft te hebben. De aanpassingen van de Awb hebben voor de burger dus zowel positieve als negatieve gevolgen. Het gepingpong is voorbij, maar de rechter kan het beroep minder snel gegrond verklaren door het relativiteitsbeginsel. Naast de genoemde drie veranderingen zijn er nog andere aanpassingen, zoals de wijziging van de bevoegdheid van de rechter, welke samen maken dat het bestuursprocesrecht een flinke verandering heeft ondergaan. Heeft u hier vragen over, schroom dan niet om contact op te nemen met de leden van de sectie bestuursrecht. We helpen u graag met vragen over dit rechtsgebied.

Deel deze pagina