Het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen; wat is het en wat betekent het voor mijn stichting, vereniging of coöperatie?

24 juni 2020

Per 1 juli aanstaande treedt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in werking. Dit kan gevolgen met zich meebrengen voor (de statuten van) onder meer stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.

Al eerder schreven wij over de inhoud van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen en de gevolgen voor de statuten. De wet treedt (grotendeels) per 1 juli 2021 in werking. De regelingen in de wet over het monistische bestuursmodel (one tier board) treden vanwege technische aspecten pas later in werking: het is thans nog niet mogelijk om bij het handelsregister aan te geven of een bestuurder uitvoerend dan wel niet-uitvoerend is.

De wet brengt niet de actieve verplichting mee om de statuten te wijzigen. Toch dient wijziging in overweging te worden genomen, nu de statuten allicht niet langer een betrouwbare weergave van geldende wetgeving geven en als up-to-date handleiding voor bestuur en toezichthoudend orgaan kunnen fungeren. De invoering van de wet is derhalve aanleiding om de governance van uw stichting, vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij te evalueren en na te gaan in hoeverre aanpassing van de statuten nodig of wenselijk is.

Daarbij dient voorts rekening te worden gehouden dat de statuten van een stichting, vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij in ieder geval bij de eerstvolgende statutenwijzing dienen te worden aangepast indien:

  • zij geen regeling omtrent belet en ontstentenis bevatten; of
  • hierin is opgenomen dat een bestuurder of commissaris meer stemmen kan uitbrengen dan de overige bestuurders respectievelijk commissarissen tezamen.

Uiteraard zijn onze notariële ondernemingsrechtspecialisten u graag van dienst bij het evalueren en het eventueel wijzigen van uw statuten. Voor meer informatie over de inhoud van de wet of de gevolgen hiervan voor uw stichting, vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, kunt u contact opnemen met een van de (kandidaat-)notarissen van DeHaan Advocaten en Notarissen.


Eerdere blog:

Op 28 januari 2020 is in de Tweede Kamer het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen aangenomen. Dit wetsvoorstel is met name van belang voor stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. In deze blog gaan wij in op de inhoud van het wetsvoorstel en de vraag of invoering aanleiding geeft tot wijziging van uw statuten.

Het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen is bedoeld om de regelgeving voor het bestuur en toezicht bij de verschillende soorten rechtspersonen aan te vullen, te uniformeren en te verduidelijken. Met de invoering van de Wet bestuur en toezicht in 2013, is de op het bestuur en de raad van commissarissen van de B.V. en N.V. van toepassing zijnde regelgeving vernieuwd en geüniformeerd. Ondanks een eerste wetsvoorstel in 2016, is de invoering van nieuwe wetgeving aangaande bestuur en toezicht van stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen tot op heden uitgebleven. Met het aannemen van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer lijkt deze wetgeving er dan toch te komen en worden de regels betreffende bestuur en toezicht grotendeels gelijkgetrokken.

Wat er is geregeld in het wetsvoorstel?

1. Wettelijke grondslag Raad van Commissarissen

In de praktijk hebben veel stichtingen en verenigingen op dit moment al een Raad van Toezicht of ander toezichthoudend orgaan. In tegenstelling tot wat het geval is bij de B.V. en de N.V., ontbreekt hiervoor echter een specifieke wettelijke grondslag of uitgewerkt wettelijk kader. In het wetsvoorstel is voor iedere rechtspersoon bepaald dat deze een Raad van Commissarissen kan instellen, dus ook stichtingen en verenigingen. Hoewel in het wetsvoorstel wordt gesproken van een Raad van Commissarissen, mag de voor deze rechtsvormen meer gangbare term Raad van Toezicht worden blijven gebruikt.

In de wet zijn de taken en bevoegdheden van de Raad van Commissarissen nader uitgewerkt. Deze taken en bevoegdheden kunnen in de statuten worden uitgebreid of beperkt. Zo is het uitgangspunt dat de Raad van Commissarissen de bevoegdheid heeft om bestuurders te schorsen. Bij een vereniging kan de Raad van Commissarissen dit echter alleen indien de bestuurder is benoemd door de algemene ledenvergadering; van dit principe mag worden afgeweken. Bij de uitbreiding van de bevoegdheden kan worden gedacht aan het opnemen van een lijst met (ingrijpende) bestuursbesluiten die voorafgaande toestemming behoeven van de Raad van Commissarissen.

Ook zal het bij deze rechtsvormen mogelijk zijn te kiezen voor een ‘monistisch’ bestuursmodel (ook wel one tier board genoemd). Voor de B.V. en de N.V. is hiervoor met de invoering van de Wet bestuur en toezicht in 2013 al een wettelijke grondslag in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen, nu ziet het ernaar uit dat deze er dus ook voor de andere rechtsvormen komt. Dit monistische model houdt in dat het bestuur bestaat uit uitvoerende en niet uitvoerende bestuurders. De uitvoerende bestuurders vormen het dagelijkse bestuur en vallen onder het toezicht van de niet uitvoerende bestuurders. In dit model staan de toezichthoudende bestuurders minder op afstand dan in het klassieke bestuursmodel met een bestuur en een afzonderlijke Raad van Commissarissen.

2. Aansprakelijkheid bestuur en Raad van Commissarissen bij faillissement

In beginsel zijn bestuurders van rechtspersonen niet in privé aansprakelijk voor hun handelingen als bestuurder. Dit kan anders zijn indien de desbetreffende bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Wanneer hier sprake van is hangt af van de omstandigheden van het geval; de rechtspraak biedt hiervoor de belangrijkste kaders.

In de huidige wettelijke regeling is naast voorgaande algemene regeling een specifieke regeling opgenomen voor aansprakelijkheid in privé van bestuurders en commissarissen bij faillissement. Deze regeling is van toepassing op de B.V., de N.V. alsmede op stichtingen en verenigingen die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting (zogenaamde commerciële stichtingen en verenigingen). In dit kader is van belang dat de wet een bewijsvermoeden bevat: onder meer als het bestuur de jaarrekening te laat heeft gedeponeerd bij het handelsregister, hebben de bestuurders hun taak onbehoorlijk vervuld en wordt het vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Kortom, de bestuurders zijn – behoudens tegenbewijs – in beginsel automatisch in privé aansprakelijk.

In het wetsvoorstel wordt de voorgaande regeling van toepassing verklaard op alle stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Ook bestuurders en commissarissen van niet-commerciële rechtspersonen kunnen hier na de wetswijziging mee worden geconfronteerd. De Minister is de laatste categorie rechtspersonen wel tegemoetgekomen; het wettelijke bewijsvermoeden is namelijk alleen van toepassing op:

  • formele verenigingen of stichtingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting; en
  • semipublieke verenigingen of stichtingen die op grond van sectorspecifieke wet- en regelgeving verplicht zijn om een jaarrekening op te stellen of gehouden zijn een financiële verantwoording op te stellen die gelijkwaardig is aan een jaarrekening (bijvoorbeeld zorg- en onderwijsinstellingen of woningcorporaties).

Tegenstrijdig belang

In het wetsvoorstel is voor stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen geregeld – gelijk aan de huidige regeling bij de B.V. en N.V. – dat een bestuurder of commissaris niet mag deelnemen aan de besluitvorming indien hij of zij een direct of indirect belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de rechtspersoon. Indien de desbetreffende bestuurder of commissaris wel deelneemt aan de besluitvorming, is het besluit nietig.

Er is, kort gezegd, sprake van een tegenstrijdig belang indien een bestuurder of commissaris door een persoonlijk belang of door zijn betrokkenheid bij een ander – met dat van de rechtspersoon niet parellel lopend – belang, niet in staat moet worden geacht om het belang van de rechtspersoon integer en onbevooroordeeld te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder of commissaris mag worden verwacht.

Hebben alle bestuurders een tegenstrijdig belang, dan wordt het besluit genomen door de Raad van Commissarissen of, bij het ontbreken hiervan, door de algemene ledenvergadering van de vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij. In het geval van de stichting – die geen leden of aandeelhouders kent – blijft het bestuur bevoegd, mits met schriftelijke vastlegging van de overwegingen. Het wetsvoorstel biedt mogelijkheden om in de statuten een afwijkende regeling op te nemen. Voor de Raad van Commissarissen gelden vergelijkbare regels.

Met de voorgaande regeling wordt ook voor de vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij de beperking in de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij tegenstrijdig belang – zoals deze ook bij de B.V. en N.V. van toepassing was voor de invoering van het Wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht in 2012 – verlaten.

Beperking meervoudig stemrecht bestuurder

Tijdens de totstandkoming van het wetsvoorstel is uitgebreid stilgestaan bij de beperking van meervoudig stemrecht van bestuurders en commissarissen van stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. In het wetsvoorstel is opgenomen dat een bestuurder of commissaris niet meer stemmen kan uitbrengen dan de overige bestuurders respectievelijk commissarissen tezamen. Wanneer de statuten een bepaling bevatten die hiermee in strijd is, moet deze bij de eerstvolgende statutenwijziging worden aanpast. In ieder geval verliest een dergelijke statutaire bepaling zijn werking vijf jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel dan wel bij statutenwijziging zonder dat de bepaling wordt aangepast. Door deze overgangsregeling lijken dergelijke meervoudig stemrechtbepalingen voor de komende vijf jaren dus onbewust door de wetgever te zijn gesanctioneerd.

Het is raadzaam om uw huidige statuten om dit punt te controleren en indien nodig of wenselijk te laten aanpassen door een notaris.

Belet- en ontstentenisregeling

Na invoering van het wetsvoorstel is iedere rechtspersoon verplicht om in de statuten een regeling op te nemen over de wijze waarop in het bestuur respectievelijk toezicht wordt voorzien bij belet of ontstentenis van één of meer bestuurders en/of commissarissen.

Van ontstentenis is sprake indien er een vacature bestaat binnen het bestuur dan wel de Raad van Commissarissen, bijvoorbeeld door defungeren of ontslag. Van belet kan worden gesproken indien een bestuurder dan wel commissaris zijn functie tijdelijk niet kan uitoefenen, bijvoorbeeld door ziekte of een schorsing.

Indien een dergelijke regeling nog niet is opgenomen is de statuten, is iedere rechtspersoon verplicht dit bij de eerstvolgende statutenwijziging alsnog op te nemen. In het kader van de continuïteit van de rechtspersoon is het hoe dan ook aan te bevelen om een regeling op te nemen ter zake belet en/of ontstentenis van bestuurders en commissarissen. Met name bij de stichting kan een dergelijke regeling uitkomst bieden, in aanmerking genomen dat deze geen leden of aandeelhouders kent en bij het ontbreken van bestuurders de gang naar de rechtbank (artikel 2:299 van het Burgerlijk Wetboek) onvermijdelijk is.

Uitbreiding ontslaggronden stichtingsbestuur door rechtbanken

Tot slot wordt de bevoegdheid van de rechtbank om een bestuurder van een stichting op verzoek van een belanghebbende of het openbare ministerie te ontslaan, verruimd. Een bestuurder van een stichting kan na invoering van het wetsvoorstel worden ontslagen vanwege:

  1. verwaarlozing van zijn taak;
  2. andere gewichtige redenen;
  3. een ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn functie als bestuurder in redelijkheid niet kan worden geduld.

Indien een bestuurder of commissaris door de rechtbank op een van de voorgaande redenen is ontslagen, mag deze persoon gedurende vijf jaar na dit ontslag geen bestuurdersfunctie bekleden. De rechtbank kan hierop een uitzondering maken indien de desbetreffende bestuurder geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid waarom hij is ontslagen.

Moet ik mijn statuten wijzigen?

De invoering van het wetsvoorstel brengt geen verplichting tot statutenwijziging met zich mee. Desalniettemin geeft het wetsvoorstel aanleiding om de governance van uw stichting, vereniging coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij te evalueren.

Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het feit dat statuten na de inwerkingtreding van de wet mogelijkerwijs niet meer volledig voldoen aan wet- en regelgeving, minder bruikbaar zijn geworden als ‘handleiding’ en aanleiding geven tot discussie over de toepassing van bepaalde statutaire regelingen. Aanpassing kan in dergelijke gevallen wenselijk zijn.

Voorts dienen de statuten van een stichting, vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij bij de eerstvolgende statutenwijzing in ieder geval te worden aangepast indien:

  • zij geen regeling omtrent belet of ontstentenis bevatten; of
  • hierin is opgenomen dat een bestuurder of commissaris meer stemmen kan uitbrengen dan de overige bestuurders respectievelijk commissarissen tezamen.

Wanneer treedt de wet in werking?

Het is nog niet bekend wanneer het wetsvoorstel in werking treedt. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel inmiddels aangenomen, het wetsvoorstel zal nu in de Eerste Kamer worden behandeld.

Meer informatie en/of vragen

De Minister heeft toegezegd om bestaande stichtingen en verenigingen actief te informeren over de invoering van het wetsvoorstel. Voor meer informatie over de inhoud van het wetsvoorstel of de inwerkingtreding kunt u natuurlijk ook contact opnemen met een van de (kandidaat-)notarissen van DeHaan Advocaten en Notarissen.

LinkedIn | De Haan Advocaten Volg DeHaan ook op LinkedIn! Volgen