Pacht en bedrijfsmatige landbouw

Pacht en bedrijfsmatige landbouw

Geplaatst op

Van een pachtovereenkomst is sprake wanneer de ene partij, de verpachter, aan de andere partij, de pachter, een onroerende zaak (bijvoorbeeld een boerderij en/of landerijen) of een gedeelte daarvan in gebruik geeft ten behoeve van de uitoefening van de landbouw. Voor het gebruik betaalt de pachter een (geldelijke) tegenprestatie.

Pachtwet

Met ingang van 1 september 2007 is de wetgeving over pacht opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Tot 1 september 2007 hoefde er, onder de (oude) Pachtwet, geen sprake te zijn van een bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw. Daarbij werd tevens bepaald dat activiteiten, zoals akkerbouw, weidebouw, veehouderij en tuinbouw, alleen dan als landbouw werden aangemerkt, voor zover zij bedrijfsmatig worden uitgeoefend. In tegenstelling tot onder de (oude) Pachtwet is sinds 1 september 2007 het in gebruik geven van bijvoorbeeld grasland tegen een tegenprestatie, ten behoeve van hobbymatige doeleinden, geen pacht meer.  

Van de oude Pachtwet ging een hoge mate bescherming van de pachters uit. Was er eenmaal sprake van een pachtovereenkomst, dan bleek het voor verpachters buitengewoon lastig om zijn percelen of (agrarische) gebouwen weer vrij van pacht te krijgen.

Definitie van bedrijfsmatige landbouw

Door de verplichting van “bedrijfsmatigheid” hebben veel verpachters de afgelopen jaren geprobeerd om pachtovereenkomsten te beëindigen om daarna landerijen en/of boerderijen pachtvrij te kunnen verkopen. Dit heeft tot veel procedures geleid. Naar aanleiding van deze procedures is er verdere invulling gegeven aan de definitie van bedrijfsmatige landbouw.

Wil er sprake zijn van bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte, dan moet er sprake zijn van een complex van economische activiteiten gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Dit moet volgens de rechtspraak worden bepaald aan de hand van de volgende zaken:

  1. De omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang van de diverse bedrijfsactiviteiten.
  2. De vraag of voor de toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden.
  3. Het redelijk te verwachten ondernemingsrendement.
  4. De vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft.

Daaraan is later nog toegevoegd dat het gaat om alle omstandigheden van het geval en dat deze in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd.

In de praktijk

Uit de diversiteit van de rechtspraak blijkt dat over het algemeen niet gauw wordt aangenomen dat van bedrijfsmatigheid geen sprake is. Ook indien sprake is van een kleinschalig, min of meer marginaal, (akkerbouw)bedrijf kan sprake zijn van bedrijfsmatige landbouw. Ook wanneer er sprake is van beperkte investeringen. Beperkte investeringen moeten volgens de jurisprudentie in verhouding staan tot de grootte van het bedrijf. Wanneer iemand een (hoofd)functie buiten de landbouw heeft, betekent dat niet direct dat er geen sprake meer is van bedrijfsmatigheid.

Onlangs heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ook in een door ons kantoor gevoerde procedure bepaald dat er bij een beperkte bedrijfsomvang en bescheiden winsten toch sprake is van bedrijfsmatigheid. Omdat de toetsing van bedrijfsmatigheid afhankelijk is van veel factoren, is het verstandig om u te laten adviseren voordat het tot een procedure komt. Wij pretenderen niet alles te weten, maar hebben wel wijsheid in pacht.

Deel deze pagina