Alimentatie bij ex-samenwoners en de fiscale gevolgen daarvan

Alimentatie bij ex-samenwoners en de fiscale gevolgen daarvan

Geplaatst op


Bij een echtscheiding kan een ex-echtgenoot die niet in staat is om (volledig) in de kosten van zijn of haar levensonderhoud te voorzien, op grond van de wet van de voormalig echtgenoot een maandelijkse bijdrage in de kosten van levensonderhoud ontvangen. De bijdrage wordt meestal aangeduid met de term ‘partneralimentatie’. Wanneer het niet lukt om in onderling overleg afspraken te maken over de partneralimentatie, dan kan partneralimentatie eventueel door middel van een gerechtelijke procedure worden afgedwongen. Het recht op partneralimentatie geldt ook voor ex-geregistreerd partners.

Partneralimentatie is, als zijnde een verplichting voortvloeiende uit het familierecht, voor de heffing van inkomstenbelasting bij de alimentatiegerechtigde belast en aftrekbaar bij de alimentatieplichtige. Voor de schenkbelasting is bij een uitkering die als verplichting voortvloeit uit het familierecht geen sprake van een schenking. De partneralimentatie is derhalve alleen in de inkomstenbelasting belast.

Hoe zit dit bij ex-samenwoners?
Het komt tegenwoordig veelvuldig voor dat partners gaan samenwonen, zonder dat sprake is van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. De wijze waarop zij hun gezin inrichten, komt echter vaak overeen met de wijze waarop echtgenoten of geregistreerd partners dat doen. Dat is met name het geval, wanneer er kinderen komen en een van de partners, al dan niet in onderling overleg, minder gaat werken of carrièremogelijkheden onbenut laat in verband met de zorg voor de kinderen en het huishouden. Wanneer het in dergelijke gevallen tot een beëindiging van de samenleving komt, heeft deze zorgende partner in veel gevallen niet (meer) voldoende inkomen om rond te kunnen komen, althans niet voldoende inkomen om het welstandsniveau, zoals dat tijdens de periode van samenleving gewoon was, vast te houden.

Voor ex-samenwoners bestaat er geen wettelijk recht op partneralimentatie; zij kunnen echter wel in onderling overleg een regeling treffen. Het staat de ex-samenwoners namelijk vrij om in onderling overleg af te spreken, dat de ene partner de andere bij beëindiging van de relatie gedurende een bepaalde periode een aan alimentatie verwante uitkering betaalt. Een dergelijke afspraak kan bij aanvang van of tijdens de samenwoning worden gemaakt en met de eventuele andere afspraken over de samenwoning worden vastgelegd in een samenlevingscontract. Het is uiteraard ook mogelijk om de verzorgingsuitkering overeen te komen op het moment dat de samenwoning wordt beëindigd; ook dan is het verstandig om de gemaakte afspraken vast te laten leggen.

De staatssecretaris van Financiën is recentelijk, naar aanleiding van een schrijven van een adviseur aan de Tweede Kamer, ingegaan op de fiscale gevolgen van de hiervoor bedoelde verzorgingsuitkering voor de inkomsten- en schenkbelasting. De adviseur verzocht in voormelde brief aan de Tweede Kamer om aanpassing van het beleid, omdat uit vragen aan de Belastingdienst was gebleken, dat een verzorgingsuitkering van ex-samenwoners zowel voor de inkomstenbelasting als voor de schenkbelasting, dus dubbel, belast was.

Ten aanzien van verzorgingsuitkeringen van ex-samenwoners geldt, zo schrijft de staatssecretaris, dat deze onder bepaalde voorwaarden voor de inkomstenbelasting worden behandeld als partneralimentatie, derhalve aftrekbaar bij de betaler en belastbaar bij de ontvanger. Er moet dan sprake zijn van in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud. Voor de schenkbelasting is een verzorgingsuitkering een schenking, die is vrijgesteld van belasting voor zover er sprake is van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis.

Voor de inkomstensbelasting geldt derhalve het toetsingscriterium ‘dringende morele verplichting’ en om voor een vrijstelling van schenkbelasting in aanmerking te komen, moet sprake zijn van ‘het voldoen aan de natuurlijke verbintenis’. Uit de brief van de staatssecretaris volgt, dat beide begrippen inhoudelijk gelijk zijn, fiscaal gelijk behandeld moeten worden, en moeten worden uitgelegd als een natuurlijke verbintenis. Of er sprake is van een natuurlijke verbintenis, moet worden getoetst aan de hand van de op het moment van de toekenning van de verzorgingsuitkering bestaande maatschappelijke opvattingen. Om daaraan te voldoen, wordt geadviseerd om aan te haken bij de aanbevelingen over de vaststelling van een alimentatie-uitkering, zoals die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, de zogenaamde Tremanormen. De aanbevelingen in dit rapport worden ook gebruikt door de gerechten bij de vaststelling van kinder- en partneralimentatie. De staatssecretaris geeft aan dat, voor zover de verzorgingsuitkering de normen uit het voormelde rapport niet overschrijdt, deze voor zowel de inkomsten- als de schenkbelasting wordt geacht te strekken tot het voldoen aan een natuurlijke verbintenis (en gelijk dient te worden behandeld als partneralimentatie van ex-gehuwden/geregistreerd partners).

De staatssecretaris wijst er voorts op, dat de toets, of met de betaling van de verzorgingsuitkering wordt voldaan aan een natuurlijke verbintenis, feitelijk is. Hierover zou discussie kunnen ontstaan met de belastinginspecteur; zo nodig kunnen ex-samenwoners de kwestie voorleggen aan de belastingrechter.

Uit het vorenstaande volgt dat het vaststellen van de hoogte van een verzorgingsuitkering, maar ook de vastlegging daarvan, maatwerk is. Mijn collega’s van De Haan Advocaten en Notarissen en ondergetekende zijn graag bereid u daarin te adviseren!

Deel deze pagina