In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State op het gebied van het omgevingsrecht. In dit KCO: intern salderen ook niet meer bij bestemmingsplannen in de voortoets, dB(C)-normering bij evenementen geen verplichting, en bij een verleende vergunning voorafgaand aan een besluit op bezwaar ontvalt het procesbelang niet.
In navolging van de 18 december-uitspraken, waarin voor projecten door de Afdeling werd geoordeeld dat intern salderen niet meer in de voortoets mocht plaatsvinden, heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 januari 2026 hetzelfde over plannen geoordeeld, in casu een bestemmingsplan.
Uit de Wet natuurbescherming (tegenwoordig de Omgevingswet) volgde dat een passende beoordeling moest worden gemaakt als een bestemmingsplan significante gevolgen kon hebben voor Natura 2000-gebieden. Dat was het geval als een plan voorzag in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen konden hebben. Onder referentiesituatie werd de feitelijk aanwezige en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan.
Als een bestemmingsplan ten opzichte van de referentiesituatie leidde tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienden de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Als daaruit volgde dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), diende een passende beoordeling te worden gemaakt. In die voortoets mocht intern gesaldeerd worden.
Vanaf de uitspraak van 14 januari 2026 mag de referentiesituatie niet meer betrokken worden bij de vraag of significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan op voorhand zijn uitgesloten. Dit betekent dat voortaan in de voortoets bij de beoordeling of significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten, de gevolgen van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke plannen) mogelijk worden gemaakt op zichzelf moeten worden onderzocht. Bij de passende beoordeling mag onder voorwaarden wel intern worden gesaldeerd.
Interessant is nog de overwegingen van de Afdeling over het additionaliteitsvereiste. Het additionaliteitsvereiste houdt in dat gemotiveerd moet worden dat de daling van de stikstofdepositie door het stoppen een bestaande activiteit niet nodig is voor behoud of verbetering van de natuur. Als dat wel het geval is, dan dient die daling van de stikstofdepositie gebruikt te worden voor behoud of het verbeteren van de natuur. De Afdeling overweegt dat, vanwege het feit dat de raad geen invloed kan hebben op de keuze van te treffen maatregelen, hij enkel op basis van openbare gegevens kan komen tot een invulling van de motiveringsverplichting. De Afdeling overweegt daartoe dat de raad een vergewisplicht heeft: de raad moet zich ervan vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel.
Na de 18 december-uitspraken was deze uitspraak al wel verwacht. Dit betekent echter dat nog meer noodzaak bestaat dat degelijke maatregelen getroffen worden om de natuur te verbeteren met betrekking tot stikstof. Tot op heden is daar bar weinig van terecht gekomen.
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de evenementenvergunning en geluidsontheffing voor het Awakenings Festival. De burgemeester verleende de vergunning in maart/april 2022. Appellanten zijn onder meer van mening dat het Evenementenbeleid, op grond waarvan voor dit evenement een geluidsnorm van 70 dB(A) op de gevel van gevoelige gebouwen geldt, onrechtmatig is, omdat ten onrechte geen dB(C)-normen zijn gesteld voor de lage bastonen.
Het college heeft bij het opstellen van het Evenementenbeleid aangesloten bij de Nota “Evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg uit 1996 (hierna: de Nota Limburg). In de Nota Limburg is geen dB(C)-norm opgenomen.
De Afdeling overweegt dat de dB(C)-norm weliswaar steeds vaker wordt gebruikt voor evenementen, maar dat daartoe geen verplichting bestaat. Deskundigen die bij deze zaak betrokken waren, waren het erover eens dat de Nota Limburg is verouderd. De Nederlandse Stichting Geluidshinder (hierna: NSG) (één van de deskundige in deze procedure) heeft een mogelijke opvolger voor de Nota Limburg opgesteld: de Handreiking “Evenementen met luide muziek”. De deskundigen verschilden van mening over de uitvoerbaarheid van deze door de NSG in de handreiking voorgestane dB(C)-normering. Zij gaven beiden aan dat de discussie over de dB(C)-normering nog niet is uitgekristalliseerd en dat de handreiking veeleer een groeidocument is. De Afdeling achtte het in deze uitspraak daarom niet onredelijk dat het college in het Evenementenbeleid aansluiting heeft gezocht bij de dB(A)-normering van de Nota Limburg, die een algemeen geaccepteerde status heeft.
Uit deze uitspraak blijkt dat de dB(C)-norm kan worden toegepast, maar dat bevoegde gezagen daar niet toe verplicht zijn. Bovendien is interessant dat deskundigen blijkbaar van mening zijn dat de Nota Limburg verouderd is, maar de Handreiking “Evenementen met luide muziek” heeft (nog) niet dezelfde status als de Nota Limburg.
MOB had het college van gedeputeerde staten van Drenthe (GS) verzocht handhavend op te treden tegen een melkveebedrijf wegens het houden van meer koeien dan was vergund en het hebben van een stal met een ander stalsysteem dan was vergund. GS had het verzoek van MOB afgewezen vanwege concreet zicht op legalisatie gebaseerd op een aangevraagde natuurvergunning en de gepubliceerde ontwerp-vergunning. In bezwaar heeft GS MOB niet-ontvankelijk verklaard. De reden daarvan was dat voordat de beslissing op bezwaar was genomen, aan het melkveebedrijf een vergunning was verleend.
In navolging van de rechtbank overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat een natuurvergunning is verleend voorafgaand aan het besluit op bezwaar, niet met zich brengt dat MOB geen belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van haar bezwaargronden. De natuurvergunning is een feit of omstandigheid die moet worden betrokken in de heroverweging die het college moet verrichten in de bezwaarfase. MOB heeft alleen al belang bij een inhoudelijke behandeling van haar bezwaargronden, omdat zij in bezwaar, ook na verlening van de natuurvergunning, moet kunnen aanvoeren dat er nog steeds sprake is van een overtreding.
Uit deze uitspraak blijkt dat concreet zicht op legalisatie (of legalisatie) wel kan betekenen dat een handhavingsverzoek wordt afgewezen en die afwijzing in bezwaar in stand blijft, maar dat de aanvrager van handhaving procesbelang blijft houden bij de afwijzing om handhavend op te treden. Het bezwaar zal dus inhoudelijk behandeld moeten worden.
Heeft u zelf een vraag over of kwestie in het Omgevingsrecht? Neem dan vooral contact op met onze specialisten Sander van Gent, Charles van Mierlo of Tom Dekker. Zij helpen u graag verder.
Neemt u gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder!
Meldt u zich vrijblijvend aan voor onze nieuwsbrief.
Download het bestand.