In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State op het gebied van het omgevingsrecht. In dit eerste KCO van 2026: twee uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling, over schorsing van door het college opgelegd uitstel en over ‘herleving’ van een bestemmingsplan via de route van artikel 8:87 Awb.
In deze mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 30 december 2025 treft hij een opmerkelijke maatregel: een aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift, inhoudende dat pas mag worden begonnen met de werkzaamheden zodra het daarmee samenhangende provinciale inpassingsplan onherroepelijk is, wordt geschorst zodat de initiatiefnemer direct kan starten met de werkzaamheden.
De zaak betreft een omgevingsvergunning voor het tijdelijk herinrichten van een aantal straten en het kappen, dan wel verplanten van een groot aantal bomen. Dit alles ten behoeve van de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden, genaamd WarmtelinQ. Hiervoor heeft de provincie Zuid-Holland een inpassingsplan vastgesteld, maar voor een aantal activiteiten was nog een omgevingsvergunning vereist. Aan deze omgevingsvergunning had het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de voorwaarde verbonden dat WarmtelinQ pas met de werkzaamheden mocht beginnen zodra dit inpassingsplan onherroepelijk was. Tegen deze voorwaarde komt WarmtelinQ in beroep – en met een verzoek om een voorlopige voorziening – op.
De voorzieningenrechter behandelt de beroepsgronden van WarmtelinQ niet inhoudelijk, omdat deze zich kennelijk niet goed lenen voor een beoordeling tijdens de voorlopige voorziening. Het komt daarom aan op een belangenafweging tussen enerzijds het belang van het voorkomen van mogelijke onnodige bomenkap en anderzijds het belang van WarmtelinQ om zo snel mogelijk te kunnen starten met de werkzaamheden. Dat laatste belang laat de voorzieningenrechter hier zwaarder wegen, waarbij ook de reeds opgelopen vertraging met de behandeling van de bodemprocedure tegen het inpassingsplan en de financiële schade meeweegt. Dat het kappen van de bomen onomkeerbaar is maakt dat niet anders: het college vindt de kap van de bomen kennelijk (gelet op het feit dat de vergunning is verleend) aanvaardbaar, op WarmtelinQ na is verder geen beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning en de beroepen tegen het inpassingsplan richten zich niet tegen de aanleg van de warmteleiding. Achter de schermen heeft mogelijk ook een rol gespeeld dat de voorzieningenrechter van de Afdeling reeds heeft geoordeeld over het betreffende inpassingsplan (zie ECLI:NL:RVS:2024:4701) en daarbij de verwachting heeft uitgesproken dat het inpassingsplan in de bodemprocedure in stand zal blijven.
Bijzonder aan deze uitspraak is dat een voorlopige voorziening in de regel ziet op uitstel van de werkzaamheden totdat in de bodemprocedure is beslist, terwijl het college bij deze vergunning in feite zelf al de inwerkingtreding van de vergunning had geschorst totdat in (een andere) bodemzaak is beslist en de voorzieningenrechter deze ‘schorsing’ opheft. Opvallend is ook dat deze voorlopige voorziening niet berust op een rechtmatigheidstoetsing van het bestreden voorschrift – de gronden worden immers niet beoordeeld – maar uitsluitend op een belangenafweging. Van belang zal zijn geweest dat kennelijk niemand zich verzette tegen de kap van de bomen (en de beroepen tegen het inpassingsplan zich ook niet richtten tegen de aanleg van de warmtetransportleiding, aldus de voorzieningenrechter), zodat gezegd zou kunnen worden dat in feite niemand er een probleem mee zou hebben als WarmtelinQ vast begon met de werkzaamheden. Overigens werd dit verzoek behandeld door de Afdeling, omdat de omgevingsvergunning gecoördineerd was voorbereid met het inpassingsplan.
Deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 6 januari 2026 draait om de bouw van een nieuwe basisschool met gymzaal. Opvallend: het bestemmingsplan dat deze bouw mogelijk maakte was op 12 mei 2025 door de voorzieningenrechter geschorst (ECLI:NL:RVS:2025:2119), maar de raad van Ede had een verzoek ingediend tot opheffing van deze schorsing op grond van artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht. Met succes: de voorzieningenrechter oordeelt dat de raad het eerder geconstateerde motiveringsgebrek heeft opgelost en heft de eerder getroffen voorlopige voorziening op.
Wat partijen (de raad en de school enerzijds en een milieuorganisatie en – kennelijk – omwonenden anderzijds) verdeeld hield, was de vraag of een in 2015 aan de gemeente Ede verleende Natuurbeschermingswetvergunning ook betrekking had op de bouw van deze school. Als dat het geval was, dan hoefde voor de bouw van deze school op grond van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet natuurbescherming geen nieuwe passende beoordeling gemaakt te worden. In de schorsingsuitspraak van 12 mei 2025 oordeelde de voorzieningenrechter dat hij daarvan niet overtuigd was, in het bijzonder niet omdat in de notitie die ten grondslag lag aan de Nbw-vergunning uit 2015 niets was vermeld over de bouw van een nieuwe school. Wel merkte de voorzieningenrechter op dat de raad om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening kon verzoeken als hij een nader onderbouwd standpunt heeft ingenomen waaruit wel volgt dat voldaan is aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
Dat de raad zijn best heeft gedaan om die motivering rond te krijgen, is logisch met het oog op de 18 december-uitspraken van de Afdeling. Als niet voldaan zou worden aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb, dan zou voor de school vermoedelijk een passende beoordeling gemaakt moeten worden. De kans dat dat tot een positief resultaat zou hebben geleid is in het algemeen klein, gelet op de staat van de meeste Natura 2000-gebieden en de gelding van het additionaliteitsvereiste indien men in de passende beoordeling (intern of extern) wil salderen.
De raad heeft nadien een aantal stukken gevonden, waaruit blijkt dat in de passende beoordeling uit 2015 rekening is gehouden met 7.500 m2 onderwijs en opvang ter plaatse van de te bouwen school. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van 3.400 m2 en past hier dus ruim binnen. Gelet daarop is de voorzieningenrechter ervan overtuigd dat de nieuwe basisschool past binnen de destijds opgestelde stikstofberekeningen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding de voorlopige voorziening op te heffen, ook omdat over de overige gronden van bezwaar in de uitspraak van 12 mei 2025 al is geoordeeld dat deze geen aanleiding geven om het besluit te schorsen. Die laatste overweging is overigens opmerkelijk, omdat in de uitspraak van 12 mei 2025 geen oordeel is gegeven over deze bezwaargronden maar daarin slechts is overwogen dat ter zitting is afgesproken dat die uitspraak zich zou beperken tot de toetsing aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb.
Al met al een interessante uitspraak die weer eens laat zien dat de raad de bodemprocedure niet hoeft af te wachten als hij, na een getroffen voorlopige voorziening, het in die uitspraak geconstateerde gebrek weet te herstellen. Zo hoeft de bodemprocedure niet afgewacht te worden voordat een initiatiefnemer kan starten met zijn bouwplan. De Afdeling overweegt daarbij opnieuw dat voor opheffing van een voorlopige voorziening, in tegenstelling tot het treffen daarvan, geen spoedeisend belang is vereist. Dat volgt uit het feit dat artikel 8:81 Awb niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 8:87 Awb. Een andere benadering zou onzes inziens ook niet goed passen in het wettelijk systeem: het uitgangspunt van de Awb is immers directe inwerkingtreding van besluiten na bekendmaking. Daarop is slechts een uitzondering mogelijk als onverwijlde spoed dat vereist. Het zou dan niet passen om, voor het opheffen van een voorlopige voorziening (en daarmee het terugvallen op het uitgangspunt van directe inwerkingtreding) ook onverwijlde spoed aan de zijde van het bestuursorgaan (of een andere belanghebbende, zoals bijvoorbeeld in casu de school) te eisen.
Ook in 2026 staan onze bestuursrechtadvocaten graag voor u klaar, wanneer u te maken krijgt met een kwestie in het Omgevingsrecht. Neem dan vooral contact op met Sander van Gent, Charles van Mierlo of Tom Dekker.
Neemt u gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder!
Meldt u zich vrijblijvend aan voor onze nieuwsbrief.
Download het bestand.