Schone lei geldt soms wel, soms niet voor restschuld eigen woning

Wie wordt toegelaten tot de WSNP (Wettelijke Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen) en zich aan de regels houdt, krijgt een beloning. Deze beloning wordt de ‘schone lei’ genoemd. Schulden, waarvoor de WSNP-regeling van toepassing is, zijn dan niet langer afdwingbaar.[1] In de regel werkt de schone lei voor alle schulden die bestonden voor de dag waarop iemand in de WSNP-regeling wordt toegelaten. Onlangs heeft de Hoge Raad[2] bepaald dat de schone lei niet altijd werkt voor de restantschuld die ontstaat als de (voormalige echtelijke) woning wordt verkocht. Hoe zit dat?

Wat vooraf ging

Een man en vrouw trouwen in 1989 in algehele gemeenschap van goederen. In 1995 kopen zij samen een woning en sluiten daarvoor een hypothecaire geldlening af bij de bank. Op 6 november 2007 komt het tot echtscheiding. Vanaf die dag woont de vrouw in de woning. Op 3 oktober 2009 vertrekt zij uit de woning en neemt de man zijn intrek in de woning. Hij heeft altijd de hypothecaire lasten voldaan.

Op 7 april 2008 wordt ten aanzien van de vrouw de WSNP-regeling uitgesproken. Deze eindigt op 16 september 2011 met een schone lei. De woning staat op deze datum nog te koop. Voor iedereen was altijd al duidelijk dat bij verkoop van de woning sprake zou zijn van een aanzienlijke restschuld. Partijen raken verwikkeld in een procedure. Wie van hen is aansprakelijk voor de restschuld? De vrouw stelt dat zij, omdat zij een schone lei heeft gekregen, niet tot betaling kan worden aangesproken. De man is van mening dat beide partijen hoofdelijk voor de gehele schuld aan te spreken zijn.

De uitspraak

Uiteindelijk komt de Hoge Raad aan het woord. Hij stelt voorop dat de wettelijke regeling ten aanzien van de schuldsanering meebrengt dat een vordering die bestaat op het moment dat de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, niet onder de werking van de schuldsanering valt zolang die vordering op dat moment wordt gedekt door een recht van pand of hypotheek.[3] In het geval de bewindvoerder en de (hypotheekgerechtigde) bank afzien van hun recht tot uitwinning van de verbonden goederen (de woning), dienen de (hypothecaire) lasten te worden voldaan uit het deel van het inkomen dat de schuldenaar mag behouden. De schone lei heeft dan geen betrekking op de vordering van de (pand- of) hypotheekhouder.

Deze uitspraak kan leiden tot een verschil in uitkomst in het geval sprake is van onderwaarde. Wanneer de woning tijdens de WSNP-regeling wordt verkocht, werkt de schone lei ten aanzien van de restschuld. Wordt de woning na beëindiging van de WSNP-regeling verkocht, werkt de schone lei niet ten aanzien van de restschuld. Dit verschil vindt volgens de Hoge Raad voldoende rechtvaardiging in de bereidheid van de bank om geen gebruik te maken van haar bevoegdheid tot uitwinning.

Samenvatting

Het kan dus mooi lijken wanneer de bank de woning niet wil verkopen tijdens de WSNP-regeling, maar uiteindelijk is het de schuldenaar die op de blaren moet zitten. In casus is de vrouw hoofdelijk aan te spreken voor de restschuld.


[1] Vgl. art. 358 lid 1 Fw.

[2] HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1135

[3] Vgl. HR 13 maart 2009, JOR 2009/152

Deel deze pagina