In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State op het gebied van het omgevingsrecht. In deze aflevering: twee uitspraken van 17 december 205 over verjaring van een invordering van een dwangsom en (on)voldoende causaal verband bij planschade.
Door het college van de gemeente Loon op Zand zijn al in 2017 een aantal lasten onder dwangsom opgelegd voor bouwwerken die zijn gerealiseerd zonder of in afwijking van een vergunning. De last is onderwerp geweest van een procedure bij de rechtbank die op 8 april 2019 (ECLI:NL: RBZWB: 2019:6302) uitspraak deed. De last is opgeschort tot zes weken nadat op het beroep is beslist. Dat betekent volgens de Afdeling dat de begunstigingstermijn verloopt op 20 mei 2019.
Anders dan het college betoogt begint de termijn volgens de Afdeling dus op de dag na de uitspraak en niet op de dag na verzending van de uitspraak. Zo interpreteert de Afdeling deze uitspraak. De uitspraak van de rechtbank was op een later tijdstip verzonden.
De rechtbank heeft in de procedure over de invordering, anders dan de Afdeling doet in de uitspraak van 17 december 2025, het college wel gevolgd in het standpunt dat de hiervoor bedoelde termijn begint te lopen na verzending. Appellant had op 21 mei 2019 een verzoek gedaan om de begunstigingstermijn te verlengen. Dat verlengingsverzoek is door het college gehonoreerd op 13 juni 2019. Er is geen sprake van een nieuwe begunstigingstermijn maar van een verlenging van een bestaande termijn.
De Afdeling wijst erop dat volgens haar uitspraak van 16 april 2014 (ECLI:NL: RVS: 2014:1340) een begunstigingstermijn die al verstreken is, niet kan worden verlengd. Het verzoek van 21 mei 2019 is dus volgens de Afdeling gedaan na het verstrijken van de termijn. Dat betekent dat het verbeuren van de dwangsommen begint te lopen op 21 mei 2019 en de dwangsommen volgens de last, na tien weken, op 30 juli 2019, zijn volgelopen. Op grond van artikel 5:35 Awb zoals dat in 2019 luidde verjaart de bevoegdheid tot invorderen na een jaar. De verjaring is niet gestuit of verlengd.
In deze zaak zit er echter een ‘addertje onder het gras’ voor het college. Want in het besluit tot verlenging van 13 juni 2019 is namelijk bepaald dat voor die bouwwerken waarvoor moest worden gesloopt de last zou worden verlengd tot zes weken na de uitspraak van de Afdeling in hoger beroep. Voor één bouwwerk is met succes een verzoek ingediend bij de Voorzieningenrechter van de Afdeling om de last te schorsen tot zes weken na de uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL: RVS: 2019:2253).
Het college neemt pas op 22 december 2021 een invorderingsbesluit, nadat er op 19 mei 2021 (ECLI:NL: RVS:2021:1068) uitspraak was gedaan in de hoger beroepen over de oplegging van de last onder dwangsom. Zij heeft dus gewacht op het hoger beroep uitspraken van de Afdeling, maar dat was dus meer dan een jaar nadat de dwangsommen waren verbeurd. De mogelijkheid om in te vorderen is dan verjaard.
De Afdeling wijst er voorts op dat de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Afdeling niet een verlenging van de begunstigingstermijn inhoudt maar slechts een schorsing van de last. De zaak loopt dus goed af voor appellant. Want het college is na een langdurige procedure niet meer bevoegd om in te vorderen. Het hoger beroep is door de Afdeling gegrond verklaard.
De uitspraak wijst ons nog op twee lessen voor de praktijk:
De gemeenteraad van de gemeente Someren stelt in 2017 een bestemmingsplan vast dat onder andere voorziet in de mogelijkheid een vogelasiel te beginnen op een afstand van 1,1 kilometer van een pluimveebedrijf.
Het beroepschrift van dit bedrijf, gericht tegen dit bestemmingsplan is bij uitspraak van 20 maart 2019 ongegrond verklaard (ECLI:NL: RVS:2019:886). Daarna dient het bedrijf een planschadeverzoek in. De gestelde schade houdt verband met de kennisgeving van opfokorganisaties aan het bedrijf dat zij vanwege de nabijheid van het vogelasiel en de daarbij behorende risico’s op de verspreiding van dierziektes geen kuikens (meer) zullen plaatsen op het pluimveebedrijf.
Het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard. Het opzeggen van overeenkomsten of het niet meer gebruik maken van diensten zijn volgens het college beslissingen van privaatrechtelijke aard en niet een rechtstreeks en ruimtelijk gevolg van de wijziging van de bestemming voor het vogelasiel.
De rechtbank oordeelt positief op het beroep van de pluimveehouder. Het nieuwe bestemmingsplan dwingt de opfokorganisaties niet tot het maken van de keuze om de pluimveehouder voortaan te mijden. Echter, op grond van ter zitting uitgebracht verklaringen is voldoende duidelijk geworden dat de aanwezigheid van het vogelasiel invloed heeft op de selectie van pluimveebedrijvendoor opfokorganisaties.
De schade zou niet zijn ontstaan zonder de nieuwe planologische maatregel. Gelet op deze specifieke situatie zou het niet redelijk zijn, aldus de rechtbank, de schade geheel aan de gemeente toe te rekenen. De selectie van de opfokorganisaties met wie zij willen contracteren is ook een ondernemersbeslissing en niet geheel objectief en wetenschappelijk onderbouwd. Echter, het is ook niet redelijk de pluimveehouder met lege handen achter te laten.
De rechtbank oordeelt dat een toerekening naar redelijkheid dient te worden toegepast waarbij het antwoord op de vraag aan welke gebeurtenis of gebeurtenissen de schade dient te worden toegerekend afhangt van diverse factoren en omstandigheden van het geval. Daarbij in aanmerking nemend dat door de positieve bestemming van het vogelasiel op zijn minst een risico voor de pluimveehouder is geschapen en dat risico heeft zich gerealiseerd.
Het college gaat in hoger beroep. Ook beslist het college, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw op het bezwaarschrift en kent een tegemoetkoming toe van € 81,720,00.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwijst naar de overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025 (ECLI:NL: RVS:2025:3690) waarin is overwogen dat bij de beoordeling of sprake is van een nadeliger situatie slechts ruimtelijke gevolgen relevant zijn. Dat gaat het alleen om te verwachten objectieve gevolgen van het nieuwe planologische regime.
Zo wordt in een planologische vergelijking slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, als voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar is.
De pluimveehouder heeft in 2018 beroep ingesteld tegen de vaststelling van het plan. De Afdeling heeft in de bovenbedoelde uitspraak van 20 maart 2019 overwogen dat de raad voor vaststelling van het plan heeft laten onderzoeken of en zo ja, welk risico het vogelasiel met zich mee zou brengen voor het pluimveebedrijf. Uit dat onderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van het vogelasiel op zichzelf geen risico inhield. Er was, aldus de raad geen sprake van een onaanvaardbaar risico of onaanvaardbare aantasting van de belangen van het bedrijf. Dat het vogelasiel mogelijk op slechts 100 meter van het bedrijf herstelde vogels uitzet maakt dit niet anders omdat dat een feitelijke handeling is en geen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan te verwachten objectief gevolg is.
De Afdeling concludeert dat de pluimveehouder door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet in een nadeliger planologische situatie is komen te verkeren. De pluimveehouder komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming.
Uit deze uitspraak blijkt dat de Afdeling strikt vasthoudt aan de lijn uit de overzichtsuitspraak. Slechts objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime zijn van belang.
De welhaast privaatrechtelijke benadering van de rechtbank waarbij rekening wordt gehouden met aspecten als toerekening naar redelijkheid en alternatieve causaliteit hoort volgens de Afdeling blijkbaar niet thuis in het bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht, dan wel is die benadering slechts toegestaan als eerst vaststaat dat er sprake is van objectief te verwachten nadelige gevolgen van het nieuwe planologische regime.
Beide zaken illustreren hoe breed het omgevingsrecht kan worden toegepast. Heeft u vragen of zelf te maken met een bestuursrechtelijke kwestie? Neem contact op met onze specialisten in het bestuursrecht: Sander van Gent, Charles van Mierlo en Tom Dekker.
Neemt u gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder!
Meldt u zich vrijblijvend aan voor onze nieuwsbrief.
Download het bestand.