Kort Commentaar Omgevingsrecht | Week 6 en 7

13 februari 2026

In deze blogreeks bespreken onze bestuursrechtadvocaten wekelijks enkele interessante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State op het gebied van het omgevingsrecht. In dit KCO: neemt het college de vergewisplicht in acht, staat bezwaar en beroep open tegen een weigering een besluit te nemen op een verzoek tot intrekking van een veelschrijversrichtlijn, en de eerste uitspraak van de Afdeling over de nieuwe bekrachtigingsprocedure in het kader van onteigening.

De vergewisplicht bij inschakeling deskundigen (ECLI:NL:RVS:2026:488)

Een appellante verzoekt het college van Nijkerk om handhavend op te treden vanwege de bouwkundige staat van een woning te Hoevelaken. De appellante huurde de woning en het verzoek richtte zich tot de eigenaar. Het handhavingsverzoek werd gedeeltelijk toegewezen gelet op het gebrekkig functioneren van het mechanische ventilatiesysteem. Naar aanleiding van een uitspraak van de Voorzieningenrechter heeft het college een nader onderzoek ingesteld naar een mogelijke andere overtreding, te weten van art. 3.26 Bouwbesluit 2012, waarin is bepaald dat de uitwendige scheidingsconstructie, in casu de vloer, van een verblijfs-, toilet- of badruimte waterdicht moet zijn. Het college liet dit onderzoek uitvoeren door De Keurder. Dit onderzoek leidde ertoe dat het college, op basis van een aanvullende motivering, bij haar besluit bleef. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

In hoger beroep wordt het onderzoek van De Keurder ter discussie gesteld. Op basis van dit onderzoek kan niet worden geconcludeerd dat is voldaan aan voornoemd artikel 3.26 Bouwbesluit 2012. Zo ontbreken de gehanteerde meetmethodes en meetresultaten in het rapport, aldus appellante.

De Afdeling dient zich uit te laten over de vraag of het college gehandeld heeft volgens de vergewisplicht die op haar rust. Nagegaan moet worden of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarom begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Als er door een partij concrete aanknopingspunten naar voren worden gebracht over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan (artikel 3:9 Awb voor wettelijke adviseurs en artikel 3:2 Awb voor overige adviseurs).

Ter zitting erkende het college dat de aan de orde zijnde waterdichtheid van de vloer niet was bepaald volgens de toepasselijke norm NEN 2778. Echter, er zouden metingen zijn uitgevoerd met een vochtmeter door een toezichthouder. Ook de eigenaar van de woning stelde dat uit onderzoek zou zijn gebleken dat er geen vocht zou zijn geconstateerd in de kruipruimte, in de vloer, en dat in de woning geen sprake is van een te hoog vochtgehalte.

De Afdeling overweegt dat als het daadwerkelijk zo zou zijn dat de bepalingsmethode volgens NEN 2778 onmogelijk zou zijn, er een alternatieve methode mogelijk is en verwijst naar de uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:101). Echter, het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het praktisch onmogelijk zou zijn de waterdichtheid van de vloer te bepalen conform NEN 2778.

Het beroep is daarom gegrond. Het college moet een nieuwe beslissing nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van de uitspraak. De uitspraak toont aan dat het onder omstandigheden kan lonen om als appellant een eigen onderzoek in het geding te brengen. In deze zaak was daar geen sprake van en was nader onderzoek nodig gelet op de uitspraak van de Voorzieningenrechter. Uit een eigen onderzoek zal dan wel moeten blijken dat er aantoonbare onvolkomenheden zijn in het onderzoek waar het college zich op beroept. Wanneer een andere deskundige slechts een ander standpunt inneemt, ook al is dat standpunt goed gemotiveerd, dan is dat onvoldoende. Het gaat erom of het rapport waarop het college zich beroept al dan niet tot stand is gekomen overeenkomstig daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid.

Uitspraak op verzoek intrekking of aanpassing veelschrijversrichtlijn Molenlanden (ECLI:NL:RVS:2026:478)

Het college van Molenlanden heeft in 2019 een veelschrijversrichtlijn vastgesteld. Het doel is herhaaldelijke berichten, verzoeken en/of klachten binnen door het college vast te stellen veelschrijversdossiers te kunnen beantwoorden met een algemene boodschap waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat deze berichten, verzoeken en klachten niet verder in behandeling worden genomen.

In een dossier over een burger die zich vaak tot het college wendt in verband met de bedrijfsvoering van een naburige melkveehouderij wordt door het college de richtlijn van toepassing verklaard. Deze burger verzoekt het college de richtlijn in te trekken dan wel subsidiair de van toepassing verklaring van de richtlijn op dit dossier in te trekken. Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een beleidsregel waartegen geen bezwaar open staat. De burger kan, aldus het college, dit opvatten als een weigering een besluit te nemen waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Na bezwaar blijft het college erbij dat handhaving van de veelschrijversrichtlijn zwaarder weegt dan het belang van de burger om de richtlijn in te trekken. Het college stelt wel dat het bezwaar kennelijk gegrond is omdat er een besluit had moeten worden genomen op het ingediende verzoek. Het verzoek wordt dus alsnog afgewezen. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een beleidsregel en er dus geen bezwaar mogelijk is.

In hoger beroep bevestigt de Afdeling dat de veelschrijversrichtlijn een beleidsregel is. De rechtmatigheid van deze richtlijn kan door de rechter worden getoetst zodra de richtlijn aan de orde is in geval van toepassing in een concreet geval. Het gaat hier, aldus de Afdeling over een richtlijn die door het college is vastgesteld en algemene regels bevat die zich lenen voor herhaalde toepassing. Daarnaast is duidelijk vastgelegd wanneer de richtlijn van toepassing is, onder welke omstandigheden de inhoudelijke behandeling van berichten, verzoeken of klachten niet in verhouding staat tot de inspanning die van een bestuursorgaan mag worden verwacht. Het college kan in individuele gevallen van de richtlijn afwijken. Dat alles kwalificeert, aldus de Afdeling, als een beleidsregel.

Tegen de intrekking van een beleidsregel staat geen bezwaar of beroep open. Dat geldt, aldus de Afdeling, dan ook voor een verzoek tot intrekking ervan. Gelet hierop had het college het bezwaarschrift niet ontvankelijk moeten verklaren.

De Afdeling toetst in deze uitspraak deze richtlijn aan de criteria die gelden voor een beleidsregel en komt tot de conclusie dat de richtlijn moet worden gezien als een beleidsregel. Vervolgens wordt daaruit logischerwijs de conclusie getrokken dat de richtlijn niet open staat voor bezwaar en beroep. Wanneer een appellant wil dat een beleidsregel exceptief getoetst wordt op rechtmatigheid dan kan dat alleen bij toepassing van de beleidsregel in een concreet geval.

De uitspraak lijkt voor de hand liggend te zijn. Echter, toch roept de uitspraak nieuwe vragen op. Zo luidt de vraag: heeft een bestuursorgaan de inherente bevoegdheid om te weigeren om een besluit te nemen en kan die bevoegdheid aan beleidsregels worden onderworpen? Weigeren een besluit te nemen is een bevoegdheid (art.6:2 Awb ) en tegen die weigering kan bezwaar worden gemaakt. Mijns inziens kun je ook beleidsregels maken over de vraag wanneer een bestuursorgaan weigert een besluit te nemen.

Onteigeningsbesluit Moerdijk (ECLI:NL:RVS:2026:629)

Eén van de noviteiten van de Omgevingswet is de zogenaamde bekrachtigingsprocedure. De bestuursrechter beoordeelt in die procedure de rechtmatigheid van een onteigeningsbesluit. Die bekrachtiging is ook nodig wanneer er geen bedenkingen zijn ingediend. In deze Moerdijkse zaak was er wel een bedenking ingediend.

De raad van Moerdijk neemt een onteigeningsbeschikking en wijst het perceel G 659 geheel aan te onteigening. Vervolgens verzoekt de raad de rechtbank om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen (artikel 16.93, eerste lid Omgevingswet). Het perceel grasland is eigendom van de Staat (Rijksvastgoeddienst) en verpacht aan een agrariër.

De rechtbank wijst het verzoek van de raad af voor zover het het eigendomsrecht betreft en wijst het toe voor zover het het pachtrecht betreft. Aangezien er minnelijke overeenstemming is met de eigenaar bestaat er geen noodzaak tot onteigening. De raad gaat niet akkoord en gaat in hoger beroep. De raad wijst erop dat de Omgevingswet slechts de mogelijkheid biedt om een onroerende zaak te onteigenen en niet slechts een daarop gevestigd pachtrecht.

De Afdeling stelt de raad in het gelijk en overweegt dat door de onteigening van de onroerende zaak de onteigenaar de zaak verwerft vrij van alle lasten en rechten die op die zaak rusten. Dit betreft de zogenaamde titel zuiverende werking. Aangezien er geen minnelijke overeenstemming was met de pachter moet de zaak dus volledig worden aangewezen voor onteigening zodat daardoor vaststaat dat de onteigenaar verwerft vrij van aanspraken van derden, in dit geval de pacht. De rechtbank heeft, aldus de Afdeling ten onrechte gemeend de bekrachtiging te weigeren met als argument dat daartoe met betrekking tot de eigendom geen noodzaak bestond.

Een gedeeltelijke bekrachtiging is als zodanig wel mogelijk. Dan moet worden gedacht aan een situatie waarin een deel van het te onteigening aangewezen onroerende zaak niet voldoet aan de criteria die gelden voor onteigening.

De pachter stelde nog dat er alsnog, na uitspraak van de rechtbank overeenstemming met hem zou zijn bereikt. Volgens de raad was die overeenstemming nog niet perfect. Hoe dan ook behoudt de onteigenaar belang erbij de onteigeningsakte te kunnen inschrijven in de openbare registers, mede met het oog op de titel zuiverende werking. Het hoger beroep is gegrond en de beschikking van de raad tot onteigening wordt bekrachtigd.

Dit is de eerste uitspraak van de Afdeling over de bekrachtigingsprocedure. Het valt op dat de Afdeling deze zaak snel heeft behandeld. De uitspraak van de rechtbank is van 1 oktober 2025. Gezien het specifieke karakter van de zaak, (het kan namelijk niet zo zijn dat er wordt onteigend zonder dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om te worden gehoord), wordt aan de raad gevraagd of er mogelijk nog andere belanghebbenden zijn. Dat is niet het geval.

De uitspraak is inhoudelijk alleen niet opzienbarend. De rechtbank heeft het stelsel dat de wetgever in de Omgevingswet heeft opgenomen miskend en dat is door de Afdeling gecorrigeerd.

Heeft u te maken met een kwestie in het omgevingsrecht? Neem dan vooral contact op met één van onze specialisten: Sander van Gent, Charles van Mierlo en Tom Dekker.

Gerelateerde Actualiteiten