Aanbestedende dienst mag niet na inschrijving alsnog een plafondbedrag instellen

14 februari 2022

In haar uitspraak van 1 februari jl. heeft de Rechtbank Den Haag aangegeven dat een aanbestedende dienst na het ontvangen en beoordelen van de inschrijvingen, een inschrijving niet als ongeldig terzijde mag leggen, omdat de prijs uit zou komen boven het budget van de aanbestedende dienst. Wat was er nu precies aan de hand?

Rijkswaterstaat en Kristal

Rijkswaterstaat had een Europese aanbesteding georganiseerd voor de selectie van bedrijven die Rijkswaterstaat zouden ondersteunen bij het vergunningsverleningsproces. In de aanbestedingsstukken had Rijkswaterstaat geen plafondbedrag, waarderaming of beschikbaar budget genoemd, waaronder de inschrijvers moesten blijven op straffe van uitsluiting. Rijkswaterstaat zou met maximaal drie bedrijven een raamcontract gaan sluiten. Het gunningscriterium was de beste prijs-kwaliteitverhouding, waarbij Rijkswaterstaat onder meer op de prijs zou letten, naast een aantal andere kwalitatieve criteria.

Rijkswaterstaat ontving drie inschrijvingen, waaronder die van Kristal Compagnie U.A. (hierna: “Kristal”). Na beoordeling van de ontvangen inschrijvingen sluit Rijkswaterstaat de inschrijving van Kristal uit, omdat haar inschrijfsom 57% hoger was dan de zorgvuldige raming van Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat geeft daarbij aan dat zij voornemens is om de raamovereenkomsten te sluiten met de overige twee inschrijvers.

Kristal maakt hiertegen bezwaar, aangezien nergens in de aanbestedingsstukken op straffe van uitsluiting was voorgeschreven dat inschrijvers onder een plafondbedrag moesten blijven. Zij meent dat Rijkswaterstaat hiermee na inschrijving een nieuw criterium heeft toegevoegd en dat is in strijd met het transparantiebeginsel.

Uitspraak rechtbank

De Rechtbank gaat hierin mee. De Rechtbank geeft duidelijk aan dat nergens in de aanbestedingsstukken aanknopingspunten waren voor een plafondbedrag van Rijkswaterstaat. Inschrijvers hoefden er hierdoor niet op bedacht te zijn dat er een maximumbedrag zou zijn, waaronder zij op straffe van uitsluiting zouden moeten inschrijven.

Ook het verweer van Rijkswaterstaat dat zij inschrijvingen mag uitsluiten die haar waarderaming en haar budget te boven gaan, wordt niet gevolgd door de Rechtbank. De Rechtbank geeft aan dat een dergelijke uitsluiting geen steun vindt in de aanbestedingsstukken, aangezien in de aanbestedingsstukken niet gesproken is over een maximaal beschikbaar budget van Rijkswaterstaat. Daarnaast overweegt de Rechtbank dat het ARW 2016 ook geen aanknopingspunt biedt voor de uitsluiting van een onaanvaardbare hoge inschrijving.

Dit alles heeft tot gevolg dat Rijkswaterstaat alsnog de inschrijving van Kristal als geldig moet beschouwen. De Rechtbank gebiedt Rijkswaterstaat dan ook dat als zij de opdracht wenst te gunnen op basis van deze aanbestedingsprocedure zij de opdracht aan alle drie de inschrijvers – waaronder dus Kristal – moet gunnen. De andere uitweg die de Rechtbank Rijkswaterstaat biedt is dat Rijkswaterstaat er ook voor mag kiezen om de onderhavige aanbestedingsprocedure te staken en over te gaan tot een concurrentiegerichte dialoog of een mededingingsprocedure met onderhandeling.

De onderhavige uitspraak laat duidelijk zien dat als een aanbestedende dienst een maximaal budget heeft, hij er goed aan doet om dit maximale budget te noemen in de aanbestedingsstukken op straffe van uitsluiting. Anders loopt de aanbestedende dienst in situaties zoals de onderhavige met raamovereenkomsten het risico dat hij een raamovereenkomst moet gunnen aan een partij met een inschrijfprijs die ertoe zal leiden dat het budget aanzienlijk overschreden zal gaan worden.

Voor meer informatie over bovenstaande kunt u contact opnemen met Arnold Appelman.

Gerelateerde actualiteiten